Welcome / Blog Archive / Nederlands / 2021-08-doc8 WSNP – Perikelen bij de gedwongen schuldregeling

2021-08-doc8 WSNP – Perikelen bij de gedwongen schuldregeling

Deze week de laatste twee blogs, met de uitnodiging om met me mee te denken en input geven om zo bij te dragen aan de concept-tekst voor de 5e druk van Wessels Insolventierecht IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Voor de idee achter dit ‘deliberate public participatory drafting process’, zie https://bobwessels.nl/blog/2021-07-doc2-meeschrijven-met-wessels-ix-5e-druk-schuldsanering/. In deze vierde blog aandacht voor de gedwongen schuldregeling uit de WSNP. Ook commentaar op de onderstaande ontwerp-tekst zie ik graag weer tegemoet voor zaterdag 24 juli 2021 via: info@bobwessels.nl. De week erna hoop ik het manuscript af te ronden en naar de bureauredactie van Wolters Kluwer te sturen. Hieronder de concept-tekst:

[…]
[9065a] Bevel tot instemming met schuldregeling. Sedert 1 januari 2008 bevat de wet een krachtig middel om een schuldeiser te bevelen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling. De schuldenaar kan in het verzoekschrift waarin hij om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoekt de rechtbank verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of die weigeren mee te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling, zie art. 287a lid 1. Art. 287a lid 2-4 bevatten enkele regels omtrent de procedure. Art. 287a lid 5 bevat het criterium voor de toewijzing van het verzoek, hetgeen voor de desbetreffende schuldeiser(s) resulteert in een ‘gedwongen schuldregeling’ (aldus MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 8): de rechtbank wijst het verzoek toe “’… indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad’”. Dit criterium wordt hierna ook wel de (beoordelings)maatstaf genoemd.

[…]
[9065ba] Aangeboden schuldregeling. De tekst van art. 287a lid 1 alsmede de ratio van de gehele bepaling vergt dat aan één of meer schuldeisers een schuldregeling is ‘aangeboden’. Het aanbod leidt, indien aanvaard, tot een ‘schuldregeling’. In rechtspraak en literatuur wordt algemeen van een akkoord gesproken, zij het dat Titel III van de wet de term niet gebruikt. Ik sluit me bij dat woordgebruik aan. Over het rechtskarakter van een akkoord, zie Wessels Insolventierecht VI 2020/1613 e.v. Hieronder behandel enkele specifiek punten ten aanzien van het aanbod (‘aangeboden’) tot schuldregeling.

[9065ba1] Wat wordt aangeboden? Het aanbod moet bepaald, althans bepaalbaar zijn. Een verzoek zonder toegevoegd aanbod is niet ontvankelijk. Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1939, slaat deze stap echter over en geeft terstond een oordeel over de inhoud van het aanbod. Daaruit volgt dat er (terecht) aan het aanbod enkele inhoudelijke vereisten kunnen worden gesteld. Het hof overweegt: ‘Nu het aangeboden akkoord zich niet bij de stukken bevindt en er onduidelijkheid bestaat over de inhoud van het akkoord, de wijze van afdragen en de controle op de nakoming van de verplichtingen door [appellant], is onvoldoende komen vast te staan dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is waartoe [appellant] in staat is en is het akkoord onvoldoende duidelijk gedocumenteerd en onderbouwd. Het hof merkt hierbij op dat het akkoord dat [appellant] voor ogen heeft, alleen slaagt als hij continu het maximaal haalbare opzijzet voor zijn schuldeisers en dat hij gedurende dit proces zijn administratie continu monitort en ook laat monitoren. Onvoldoende is gebleken dat het akkoord een waarborg bevat dat door [appellant] aldus zal worden gehandeld. Onder deze omstandigheden hebben geïntimeerden in redelijkheid hun instemming aan het akkoord kunnen onthouden.’ Rb. Midden-Nederland 10 november 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4963, overweegt ten overvloede ‘… wat [A] had kunnen doen om een deugdelijke aanbod te doen. Als de omvang van de vordering van een schuldeiser niet (ook niet op basis van een voorlopige inschatting) kan worden vastgesteld, moet bij het doen van het aanbod rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat extra moet worden gereserveerd voor het geval het betwiste deel van de vordering komt vast te staan. Eenzelfde regeling geldt voor het surseanceakkoord. Dit betekent dat de schuldeisers een lager percentage aangeboden krijgen, omdat een deel van de spaarcapaciteit van [A] wordt gereserveerd voor het geval de vordering van [B] alsnog in rechte vast komt te staan. Komt de vordering niet (binnen een in het aanbod bepaalde termijn) vast te staan, dan wordt de daardoor vrijvallende reservering alsnog onder de schuldeisers verdeeld. De schuldeisers moeten hierover in de aangeboden schuldregeling worden voorgelicht’.
Problematisch schuldenlast. Indien er geen problematische schuldenlast voor de verzoeker/schuldenaar bestaat, wordt het verzoek tot het opleggen van een schuldregeling afgewezen, zie Rb. Den Haag 4 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11692; Rb. Gelderland 20 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2690.

Kinderopvangtoeslag. Een vergelijkbare redenering (problematisch vast te stellen schuldenlast) kan worden ontwikkeld ten aanzien van een schuldenaar die is aangemeld als belanghebbende/slachtoffer van de zogenoemde toeslagaffaire (bijvoorbeeld aanzienlijke schuld op crediteurenlijst; geen duidelijkheid ten aanzien van te ontvangen schadevergoeding). In het eerste halfjaar van 2021 is er slechts één van de elf rechtbanken die uitspraken op dit punt publiceert. Voor de aanpak van rechtbank Rotterdam in dergelijke zaken, zie Rb. Rotterdam 15 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2368; Rb. Rotterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2369; Rb. Rotterdam 23 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2772. Zie ook Rb. Den Haag 27 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5395. In Rb. Rotterdam 21 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3576, ging de rechtbank (nog) uit van niet te goeder trouw ontstane schulden uit onder meer ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag. Zie nader over de compensatie kinderopvangtoeslagenaffaire Van Bommel, WP 2021/02, die een (nood)wet voorstelt waarmee de vergoeding (deels) buiten de boedel valt en niet vatbaar is voor beslag, en Mulder, TvS maart 2021. Zie ook Koppelman, WP 2021/10. Vanuit het ministerie wordt aan een regeling gewerkt die tot doel heeft een aan gedupeerden toekomende vergoeding (compensatie) buiten de boedel te doen houden, mogelijk door een (wettelijke?) overname van de vorderingen (door wie?) die op de gedupeerden drukt. Indien een verzoeker van het opleggen van een dwangregeling in de zin van art. 287a door de Belastingdienst als gedupeerde is aangemerkt, dient een aanvraag compensatie te worden gedaan overeenkomstig de het Besluit compensatie gedupeerden in schuldentraject, Besluit van 28 mei 2021, nr. 2021-103575, nr. 28303, d.d. 1 juni 2021 (ook wel ‘Catshuisregeling’). Voor rechtspraak, zie Rb. Rotterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5828; Rb. Rotterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5648; Rb. Rotterdam 29 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6493. Over de betekenis van genoemd Besluit voor een beëindiging met een schone lei (van een situatie als bedoeld onder art. 350 lid 1 en art. 350 lid 3 onder a is geen sprake), zie Rb. Rotterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6286, bij toepassing van art. 352 Rb. Rotterdam 16 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6722, en bij de toepassing van art. 354 Rb. Rotterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6285.

[…]
[9065ba2] Wie biedt aan? Engberts, diss. (2015), p. 272, stelt vast dat in de lagere rechtspraak nagenoeg altijd de regel wordt gevolgd dat een volledig Wsnp-verzoek bij het 287a-verzoek moet zijn gevoegd en dat in het verbod op schuldbemiddeling door personen of instellingen die niet in de Wet op het consumentenkrediet zijn genoemd (art. 47 jo. art. 48 lid 1 Wck, vergelijk thans art. 287a lid 7) ligt besloten dat een minnelijk traject dat tot het 287a-verzoek leidt moet worden uitgevoerd door een in art. 48 lid 1 Wck genoemde persoon of instelling. Stellig in deze zin Rb. Den Haag 23 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2806. Voor de toewijsbaarheid van een 287a-verzoek is de toewijsbaarheid van het Wsnp-verzoek weliswaar geen voorwaarde (HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966), maar dit laat onverlet dat een 287a-verzoek vergezeld dient te gaan van een volledig Wsnp-verzoek ter bevordering van een efficiënte rechtsgang en om te bewerkstelligen dat de rechter ten behoeve van de oordeelsvorming over een compleet dossier beschikt (eveneens HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966). Anders Hof Arnhem-Leeuwarden 12 september 2013, ECLI:NL:GHART:2013:6699.

[9065ba3] Vorm en inhoud van het aanbod. De wet bevat geen regels of voorschriften voor de aanbieding van de schuldregeling. Zowel uit de aard van de regeling van art. 287a als uit de rechtspraak (zie par. 9065ba1) zijn enkele (minimum) eisen af te leiden. Over het onderwerp nader Engberts, diss. (2015), p. 200 e.v. Het Procesreglement LOVC kent enkele voorschriften, zie par. 9065e. Indien de weigerende schuldeiser reeds akkoord is gegaan wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen, zie Rb. Rotterdam 6 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1374. Vergelijk Rb. Den Haag 29 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:16017 (er was geen weigerachtige schuldeiser). Zie ook Rb. Overijssel 30 juli 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2877, waar het door een gesloten aanvullende overeenkomst onzeker was of de schuldeiser wel als ‘weigerende schuldeiser’ kon worden aangemerkt (de aanvullende overeenkomst werd vernietigbaar geoordeeld op grond van misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW)).

[9065ba4] Wie zijn schuldeisers? De term ‘schuldeisers’ in art. 287a lid 1 omvat in beginsel alle schuldeisers van de schuldenaar, ongeacht de aard of geclaimde voorrang van hun vordering. Nog geen schuldeiser, maar kan het wel worden. Rb. Limburg 2 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:3959; JOR 2021/45, nt. Tollenaar, oordeelt dat verweerder nog geen schuldeiser is, maar dat er tussen verzoekster en verweerder wel een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan verweerder, zonder dat een nadere rechtshandeling wordt verricht, schuldeiser kán worden. Dat is het geval als hij op de schuld aan schuldeiser D méér betaalt dan zijn aandeel. Er is dan sprake van een regresvordering. De rechtbank oordeelt dat onder deze omstandigheden een verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling inderdaad tegen verweerder gericht kan worden: ‘Als dat niet zou kunnen, zou een schuldenaar in gevallen dat er mogelijk een regresvordering ontstaat voor een sanering van alle schulden altijd zijn aangewezen op de wettelijke schuldsaneringsregeling, ook wanneer de bestaande schuldeisers akkoord zijn. Aangezien de maatregel van de gedwongen schuldregeling tot doel heeft het minnelijk traject te versterken, acht de rechtbank dat geen aanvaardbare consequentie.’ Tollenaar, aangehaalde annotatie, stemt met deze uitspraak in.

Verjaarde vordering? In het geval beoordeeld door Rb. Den Haag 15 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3747, stelt de rechtbank vast dat uit de overgelegde schuldenlijst blijken dat relatief veel schulden ouder zijn dan vijf jaar (de gehele preferente schuldenlast en 21 van de 23 concurrente schulden) en aldus aan verjaring onderhevig kunnen zijn. Nu ter zitting is verklaard dat niet is onderzocht of de desbetreffende schuldeisers de verjaring van hun vorderingen hebben gestuit, is niet uit te sluiten dat een aantal van de schulden rechtens niet meer afdwingbaar is. De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat hierdoor de hoogte van de schuldenlast niet vaststaat, zodat de rechtbank er niet van kan uitgaan dat de aangeboden schuldregeling het maximaal haalbare is, dan wel dat de schuldeisers in een minnelijk schuldregelings-traject een hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in een wettelijke schuldsaneringsregeling. Dezelfde rechtbank komt drie maanden later terecht tot een ander inzicht. Rb. Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7545, stelt vast dat verzoeker zich jegens geen van zijn schuldeisers op mogelijke verjaring heeft beroepen: ‘Hij is daartoe evenmin gehouden. Dat betekent dat alle verbintenissen in de door verzoeker opgegeven schuldenlast rechtens nog steeds afdwingbaar zijn en de hoogte van de schuldenlast met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld’.

+++++++++++