Welcome / Blog Archive / Nederlands / 2021-07-doc9 Gedwongen schuldregeling en de kribbige crediteur

2021-07-doc9 Gedwongen schuldregeling en de kribbige crediteur

Dit is de laatste blog met de uitnodiging om met me mee te denken en input geven om zo bij te dragen aan de concept-tekst voor de 5e druk van Wessels Insolventierecht IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Voor de idee achter dit ‘deliberate public participatory drafting process’, zie https://bobwessels.nl/blog/2021-07-doc2-meeschrijven-met-wessels-ix-5e-druk-schuldsanering/. In deze vijfde blog aandacht voor de halsstarrige houding van een wettelijk schuldeiser (UWV; Belastingdienst) bij de gedwongen schuldregeling uit de WSNP. Graag  commentaar (waaronder rechtspraak) op de onderstaande ontwerp-tekst vóór a.s. zaterdag 24 juli 2021 via: info@bobwessels.nl. De week erna hoop ik het manuscript af te ronden en naar de bureauredactie van Wolters Kluwer te sturen. Hieronder de concept-tekst:

[+++]

[9065r] Wettelijk verbod schuldeiser om in te stemmen. UWV. UWV voert als gerechtvaardigde reden om te weigeren aan dat eind 2008 gewijzigde sociale zekerheidswetgeving (WW, ZW) bepalingen behelst die haar dat niet toestaan. Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2009, LJN BI6348 (bekrachtigend Rb. Roermond 18 december 2008, LJN BG7273) oordeelt dat de parlementaire geschiedenis van art. 287a de rechter ruime discretie geeft aan de hand van de zich voordoende omstandigheden de toepassing van de bepaling te beoordelen. Uit (de parlementaire geschiedenis op) de desbetreffende bepalingen blijkt voorts niet dat de sociaal-zekerheidswetgever afstand heeft willen doen van de aan art. 287a Fw ten grondslag liggende gedachte, dat het aan de rechter is overgelaten te oordelen in welke concrete omstandigheden van het geval van een onredelijke weigering sprake is, zodanig dat schuldeisers tot medewerking gedwongen kunnen worden. Een bijzondere regeling voor bepaalde categorieën schuldeisers past daarbij niet: “De rechter is bovendien bij de toetsing niet beperkt tot de belangen van schuldenaar en het UWV. Ook de belangen van de andere schuldeisers worden in ogenschouw genomen en die kunnen meebrengen dat toch sprake is van een onevenredigheid in die gevallen waarin aan de minimumnorm die voor het UWV geldt, niet is voldaan. Ook daarom kan de rechter, bij de vaststelling van het onderhavige (binnen)gerechtelijk (dwang) akkoord niet gebonden zijn aan de beperkingen die voor het UWV voor een buitengerechtelijk akkoord gelden.” De opvatting van het Hof wordt gevolgd door de Hoge Raad, zie HR 9 juli 2010, LJN BM3975; JOR 2010/364; NJ 2010/648, nt. Verstijlen; TvI 2010, p. 184 e.v., nt. Nethe; Noordam, WP 2010/03, p. 17 e.v. Hij spreekt zich uit over het door de schuldsaneringsrechter te hanteren toetsingskader in het geval een schuldeiser (in casu het UWV) in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof juist. De omstandigheden dat UWV in bepalingen van de socialezekerheidswetgeving wordt verplicht tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde en dat UWV in de daarin omschreven gevallen niet mag meewerken aan een vrijwillig buitengerechtelijk akkoord, nemen niet weg dat de rechter onder de in art. 287a vermelde voorwaarden bevoegd is UWV te bevelen in te stemmen met een schuldregeling. De omstandigheid dat UWV gerechtvaardigde redenen heeft om medewerking aan een schuldregeling te weigeren, staat volgens de Hoge Raad niet in de weg aan een bevel in te stemmen met een schuldregeling: “Deze redenen dienen door de rechter te worden betrokken bij zijn beoordeling of UWV in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat UWV heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Deze uitleg strookt met de tekst van art. 287a F., waarin immers zonder bijzondere regeling voor bepaalde categorieën schuldeisers aan de rechter is overgelaten te beoordelen in welke omstandigheden van een onredelijke weigering sprake is, en met de … passages van de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, waarin evenmin enig voorbehoud wordt gemaakt.” Ook de parlementaire geschiedenis van genoemde sociale zekerheidswetgeving bieden volgens de Hoge Raad geen aanknopingspunt voor een ander oordeel: “De in art. 287a F. aan de rechter gegeven bevoegdheid wordt gerechtvaardigd door het maatschappelijk belang dat is gediend met een verantwoorde en evenwichtige schuldsaneringsregeling, die kan uitmonden in een dwangakkoord op de voet van art. 287a lid 5 F. Bij de beoordeling of hij een daartoe strekkend bevel zal geven, dient de rechter niet alleen de belangen die UWV behartigt, maar ook de belangen van de andere schuldeisers en van de schuldenaar te betrekken.”

Rechtspraak. In de lagere rechtspraak wordt het arrest gevolgd, zie Rb. Utrecht 7 juli 2011, LJN BR2552; Rb. Utrecht 15 december 2011, LJN BU8418. Rb. Den Haag 22 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4054, overweegt ‘volledigheidshalve’ nog dat zij het UWV zal bevelen in te stemmen met de schuldenregeling zoals die ook aan de overige schuldeisers is aangeboden, inhoudend dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 0,8 % en 0,4 %, te reserveren in een periode van 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen. Het valt, overweegt de rechtbank, immers ‘niet in te zien – en is ook in strijd met de gelijke behandeling van crediteuren van dezelfde rang – waarom de belangen van het UWV dienen te prevaleren boven die van de andere schuldeisers en zij wel haar volledige vordering betaald zou moeten krijgen. De omstandigheid dat de overige crediteuren over het afwijkende (100%) aanbod aan UWV zijn geïnformeerd, maakt dat niet anders’.
Art. 24c Algemene Kinderbijslagwet. Dezelfde gedachtegang wordt gevolgd ten aanzien van de Sociale Verzekeringsbank, die stelt niet akkoord te kunnen gaan gezien het wettelijk verbod van art. 24c Algemene Kinderbijslagwet, volgt Rb. Midden-Nederland 27 maart 2014, ECLI:NL:RMBNE:2014:1279; Prg. 2014/ 131; Rb. Rotterdam 18 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6169. Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Idem: Rb. Noord-Nederland 25 maart 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1419. Art. 60c Participatiewet. Eenzelfde redenering geldt ten aanzien van een beroep op art. 60c Participatiewet, zie bijvoorbeeld Rb. Gelderland 22 februari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5783; Rb. Rotterdam 3 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4362; Rb. Rotterdam 18 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1534.
Belastingdienst. De belastingdienst geeft als reden voor haar weigering in te stemmen met het akkoord op de daarin opgenomen termijn van 60 maanden van het akkoord. Rb. Midden-Nederland 25 juni 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4989; V-N 2019/59.22, stelt vast ‘dat nergens in de wet is vastgelegd’ dat een aanbod tot een minnelijk akkoord over een periode van maximaal 36 maanden moet gaan: ‘Dat vrijwel alle reguliere minnelijke trajecten van deze termijn uitgaan wil niet zeggen dat daar niet van afgeweken mag worden. Dat de belastingdienst vast blijft houden aan haar weigering om akkoord te gaan verwijzend naar interne beleidsregels, staat aan toewijzing van het dwangakkoord dan ook niet in de weg’. Een andere tik deelt Rb. Midden-Nederland 9 oktober 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4252, uit: ‘Dat de Belastingdienst als beleid hanteert dat ondernemers nooit in aanmerking kunnen komen voor een minnelijke regeling is, gelet op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van de laatste twee decennia, naar het oordeel van de rechtbank, aan herziening toe. Op de huidige arbeidsmarkt zijn veel zelfstandige ondernemers werkzaam in banen waar zij eerder in (vaste) dienstbetrekking waren geweest. Denk hierbij aan post- en pakketbestellers en maaltijdbezorgers, maar ook zorgmedewerkers als artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en kraamverzorgers werken tegenwoordig veelal als zelfstandige (ondernemer)’.

+++++++