Welcome / Blog Archive / Nederlands / 2021-07-doc5 WSNP en schuldhulpverlening via gemeenten

2021-07-doc5 WSNP en schuldhulpverlening via gemeenten

Enkele dagen gelden vroeg ik om uw input en zo bij te dragen aan de concept-tekst voor de 5e druk van Wessels Insolventierecht IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Zie https://bobwessels.nl/blog/2021-07-doc4-ontwikkelingen-regelgeving-schuldsanering-natuurlijke-personen/ en voor de idee achter dit ‘deliberate public participatory drafting process‘ https://bobwessels.nl/blog/2021-07-doc2-meeschrijven-met-wessels-ix-5e-druk-schuldsanering/. Ook commentaar op de onderstaande ontwerp-tekst zie ik graag tegemoet voor zaterdag 24 juli 2021 via: info@bobwessels.nl. De week erna hoop ik het manuscript af te ronden en naar de bureauredactie van Wolters Kluwer te sturen. Hieronder de concept-tekst:

[…]
Over ‘De aanpak van de schuldenproblematiek’, zie WODC 2020, Justitiële verkenningen 1/20. In juni 2021 laat de Minister voor Rechtsbescherming aan de Kamer weten een wetsvoorstel voor te bereiden dat een rechter de bevoegdheid geeft om in individuele gevallen een betalingsregeling op te leggen in gevallen waarin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van een schuldenaar kan worden gevergd dat hij zijn vordering in één keer betaald. Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/06/18/tk-beleidsreactie-betalingsregelingen.

[9019] Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 2012. Sedert 2012 is de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) van kracht. Deze gaat uit van de gedachte dat gemeenten de verantwoordelijkheid hebben om burgers met schulden te voorzien van een passend aanbod. In art. 1 (begripsbeschrijvingen) van de wet wordt als omschrijving van ‘schuldhulpverlening’ gehanteerd: ‘… ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijk persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’ Deze schuldhulpverlening heeft in de gemeentelijke praktijk als vorm gekregen dat bij beginnende schulden doorgaans wordt volstaan met informatie, advies en wellicht enige zogenoemde budgetcoaching. De uitvoering is daarbij in handen van de gemeente of een door haar aangetrokken vrijwilligersorganisaties. Indien door omstandigheden de toepassing van de wettelijke regeling van de schuldsaneringsregeling (met in beginsel een driejarige periode tot er een ‘schone lei’ kan worden verleend) niet of nog niet mogelijk is, kunnen gemeenten voorzien in een zogenoemd stabiliserend aanbod. Het doel van de ondersteuning is dan (voorlopig) om verdere escalatie van de schulden te voorkomen. In de praktijk loopt de schuldenlast bij stabilisatie meestal toch nog verder op, als gevolg van rente en incassokosten. De Wgs is een kaderwet die bestaat uit veertien artikelen en zij biedt grote discretionaire ruimte aan gemeenten om te voorzien in een lokaal passend aanbod. Uitvoeriger Jungman e.a. (2018), p. 20 e.v.

[9020] Aansluiting minnelijke schuldhulpverlening en wettelijke schuldsanering. Op 16 november 2020 hebben de ministers van SZW en Rechtsbescherming een brief naar de Kamer gezonden die maatregelen voorstelt voor een betere aansluiting van de minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsaneringsregeling. Een tweetal maatregelen wordt voorgesteld: (i) een verplichte reactietermijn voor schuldeisers bij vrijwillige (minnelijke) schuldhulpverlening (om informatie over openstaande schulden te verstekken en al dan niet akkoord te gaan met een saneringsvoorstel) en (ii) een eenvoudiger toegang tot de rechter (door de ‘goede trouw’ toets te verkorten van vijf naar twee jaar en de regel dat bij een nieuw verzoek van een schuldenaar, die eerder onder de WSNP viel, niet automatisch af te wijzen omdat zij viel onder de 10-jaarstermijn van art. 288). Vervolgens is ten behoeve van consultatie gepubliceerd de ‘Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen’. Doel en inhoud van het wetsvoorstel is om enkele wijzigingen in de Faillissementswet op te nemen om te zorgen voor een betere aansluiting tussen het gemeentelijk schuldhulpverleningstraject en de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De voorgestelde wijzigingen betreffen een aanpassing van de in art. 288 opgenomen criteria waaraan de rechter een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moet toetsen en de introductie in art. 292 lid 2 van de mogelijkheid voor schuldeisers om hoger beroep in te stellen tegen de toelatingsbeslissing van de rechter. Voor kritiek, zie Noordam, Pouw, Van Bommel en Van den Berg, WP 2021/13. De mogelijk toekomstige wetgeving is te ongewis om daarop reeds (in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3) te anticiperen, aldus Hof Arnhem-Leeuwarden 1 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:932.

[9021] Breed moratorium. Met ingang van 1 april 2017 is in werking getreden het Besluit van 6 maart 2017 tot invoering van een afkoelingsperiode voor natuurlijke personen ter stabilisering van hun financiële situatie alsmede tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van art. 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Besluit breed moratorium).

[9022] Adempauze. Een schuldenaar (dat is een natuurlijke persoon die door het college van B&W is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening) kan, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, de afkondiging van een afkoelingsperiode worden verzocht, als bedoeld in art. 5 lid 1 Wgs. Het breed moratorium biedt deze schuldenaar een adempauze van zes maanden, om personen die het niet lukt hun financiële situatie te stabiliseren te ondersteunen. In dat half jaar mogen schuldeisers hun vorderingen niet executeren en kan bijvoorbeeld geen beslag worden gelegd op bijvoorbeeld de woning en kan geen uithuiszetting plaatsvinden. Het moratorium kan helpen als het schuldhulpverleners niet op een gewone manier lukt om regelingen te treffen met deurwaarders, incassobureaus of schuldeisers. Het bevriezen van de stroom invorderingsmaatregelen kan een schuldenaar met hulp van schuldhulpverlening de kans geven om alle zaken op een rij te zetten en tot een stabiele situatie te komen, van waaruit dan betalingsregelingen kunnen worden gemaakt. Over de (ontwerp)regeling, zie Lankhorst, Bb 2016/87; Kranendonk-Van Weersch, TvS december 2016, p. 5 e.v. Over de problematische verhouding tussen de voorlopige voorzieningen van art. 287 lid 4 en art. 287b algemeen, en in het bijzonder de afkoelingsperiode ex art. 5 lid 1 Wgs en die van art. 287b, zie Engberts, diss. (2015), p. 275 e.v.; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/710.
Rechtspraak. Uit de (weinige) rechtspraak volgt dat de rechtbank het gebruik maken van een afkoelingsperiode beschouwt als ‘… een zwaar middel … – die de schuldeisers immers volledig afhoudt van hun bevoegdheid tot verhaal – dat niet lichtvaardig kan worden toegewezen. Het breed moratorium is een ultimum remedium, een instrument dat slechts bedoeld is voor situaties waarin de andere beschikbare instrumenten geen of onvoldoende soelaas bieden en de schuldeisers, ondanks dat zij bekend zijn met schuldhulpverlening van schuldenaar, er voor kiezen om (verdere) incassomaatregelen te treffen. Tegen die achtergrond dient de noodzaak tot toepassing van het middel ten behoeve van de schuldhulpverlening voldoende aannemelijk te worden gemaakt’. Zie Rb. Gelderland 26 juni 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3497. In gelijke zin Rb. Oost-Brabant 12 maart 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:1250; Rb. Rotterdam 19 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5869.

++++