Welcome / Blog Archive / Nederlands / 2021-03-doc3 Wetsontwikkelingen surseance van betaling

2021-03-doc3 Wetsontwikkelingen surseance van betaling

Met de deur in huis vallen, zie https://bobwessels.nl/blog/2021-03-doc2-meedenken-met-surseance-van-betaling/. Hieronder de eerste uitnodiging om een stuk ontwerptekt van commentaar te voorzien. Eerst enkele aanpassingen van het wettelijk kader en zichtlijnen naar de toekomst. Zie nader de tekst hieronder. Deze komt uit de bewerking voor de 5e druk van uit Wessels Insolventierecht VIII, Surseance van betaling. Reacties graag voor woensdag 24 maart 2021 naar: info@bobwessels.nl. De week erna hoop ik het manuscript af te ronden en naar de bureauredactie van Wolters Kluwer te sturen.

++++++++++++

[8010a] Wetswijzigingen ná 2005. Sedert 2005 is de regeling van de surseance van betaling door een drietal wetswijzigingen nader vormgegeven:
– met de Wijzigingswet financiële markten 2016 (Stb. 2015, 428, i.w.tr. 1 april 2016, Stb. 2015, 504) (Uitvloeisel van Kamerstukken 34 198) is vastgelegd dat ten aanzien van een moedermaatschappij van een verzekeraar geen definitieve surseance van betaling wordt verleend (dan nadat DNB hierover is gehoord). Op deze wijze kan DNB ongehinderd de bevoegdheid uitoefenen om ten aanzien van een moedermaatschappij van een verzekeraar in te grijpen. Zie MvT Kamerstukken II 2014-2015, 34 198, nr. 3; Hummelen/Breeman III-III (2018), p. 2366 e.v. Uitvoerig over het faillissement van een bank, een beleggingsonderneming of een verzekeraar Wessels Insolventierecht I 2018/1515 e.v.
– medio 2017 is een vernieuwde EU Insolventieverordening (EIR 2015) van kracht geworden. Uitvoerig daarover Wessels Insolventierecht X (International Insolvency Law Part II) 2017. In december 2017 is in Nederland de Uitvoeringswet EU-insolventie-verordening inwerking getreden (Stb. 2017, 496; i.w.tr. 23 december 2017, Stb. 2017, 497). Daarbij is met een zestal wetswijzigingen de regeling van de surseance van betaling aan het herijkte systeem en de tekst van de nieuwe Insolventieverordening aangepast, evenals dat ten aanzien van de regeling van het faillissement is geschied, zie Wessels Insolventierecht I 2018/1264 slot, 1267d, 1279d en 1345b.
– Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord) (Stb. 2020, 414, i.w.tr. 1 januari 2021, Stb. 2020, 415) heeft art. 215 in die zin aangepast dat in het geval waarin een verzoek van de schuldenaar tot verlening van surseance van betaling gelijktijdig aanhangig is met een verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige, de laatste voorgaat. Vergelijk MvT Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 26; Renssen (2021), p. xx.

[…]

[8016i] EU Richtlijn 2019/1023 (Herstructurering en insolventie) wordt in surseance-regeling verwerkt. De Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) kent als implementatiedatum 17 juli 2021. Bij de behandeling van het wetsvoorstel-WHOA heeft de minister van Rechtsbescherming aangekondigd de richtlijn in de wettelijke regeling van de surseance van betaling te verwerken. Een consultatie dan wel een voorstel van wet is nog niet verschenen.

[8016j] Toelichting. In 2014 heeft de Europese Commissie een aanbeveling gepubliceerd die is gericht op het door de Lidstaten bieden van een gemeenschappelijk kader voor een nieuwe aanpak van faillissement. Zie de aanbeveling van de commissie van 12 maart 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie (2014/135/EU). Dit kader zou schuldenaren in staat moeten stellen om te herstructureren zodra duidelijk wordt dat de kans op insolventie bestaat. De Aanbeveling leidde in november 2016 tot een voorstel voor een Richtlijn (zie Wessels Insolventierecht I 2018/1069 e.v.), hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een definitieve tekst in Richtlijn 2019/1023 (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie). De centrale idee is om het voor levensvatbare ondernemingen in financiële moeilijkheden gemakkelijker te maken om in een vroeg stadium toegang te krijgen tot nationale herstructureringsmaatregelen om te voorkomen dat zij insolvent worden. Over de wordingsgeschiedenis van de richtlijn, haar inhoud en haar invloed op de beroepspraktijk, zie Wessels, TvOB december 2015, p. 207 e.v.; Wessels, NTHR februari 2017, p. 13 e.v.; Wessels en Madaus, TvOB december 2017, p. 192 e.v.; Madaus / Wessels, Business Rescue in Insolvency Law – A Challege for Private Law?, in: Zeitschrift für Europäisches Privatrecht 4/2020, p. 800 e.v. De kern van de inhoud van de richtlijn is weergegeven door Renssen (2021), xx. De richtlijn dient uiterlijk 17 juli 2021 door de EU-lidstaten te worden geïmplementeerd. Art. 34 Richtlijn 2019/1023.
In een brief van 27 augustus 2019 heeft de Minister van Rechtsbescherming, Dekker, aangegeven de richtlijn te zullen implementeren in de wettelijke regeling van de surseance van betaling. Zie Kamerstukken II 2018/19, 33 695, nr. 18. De richtlijn kent onder meer een Hoofdstuk 3 (Herstructureringsplannen), art. 8-16 Richtlijn 2019/1023. Op een zestal onderwerpen heeft dit onderdeel uit de Richtlijn 2019/1023 invloed gehad op de WHOA. Zie het korte overzicht bij Renssen (2021), xx.
Bij de Kamerbehandeling van het voorstel voor de WHOA heeft de Minister voor Rechtsbescherming de zorgelijke staat van de regeling van de surseance ook ruiterlijk toegegeven. Zijns inziens ligt de Nederlandse insolventiewetgeving vergeleken met regimes van andere landen waar het gaat om herstructureringsmogelijkheden voor ondernemingen ruim achter: ‘De huidige akkoordregeling in surseance is ineffectief gebleken en blijft om deze reden in de praktijk zo goed als ongebruikt, terwijl de praktijk juist dringend behoefte heeft aan een werkbare akkoordregeling buiten faillissement’. Zie MvT, Kamerstukken II 2018/2019, 35 249, nr. 3, p. 3. Voor de implementatie van de richtlijn zal een afzonderlijk wetsvoorstel worden opgesteld. De Minister: ‘De memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel zal een transponeringstabel omvatten waarin ook zal worden aangegeven op welke wijze de WHOA overeenkomt met het eerste onderdeel van de richtlijn. Zie MvT, Kamerstukken II 2018/2019, 35 249, nr. 3, p. 4.

+++++++++++++