Welcome / Blog Archive / 2020-11-doc4 Notariaat en vereffening van een nalatenschap

2020-11-doc4 Notariaat en vereffening van een nalatenschap

Wederom de uitnodiging om een stuk ontwerp-tekt van commentaar te voorzien, zie https://bobwessels.nl/blog/2020-11-doc3-bijdragen-aan-vereffening-van-de-boedel-wessels-insolventierecht-vii-2021/. Dit keer voer voor hen die werkzaam zijn in het notariaat en een nalatenschap vereffenen. In Boek 4 BW zijn diverse bepalingen uit de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing verklaard. Zie nader de tekst hieronder. Deze komt uit de bewerking voor de 5e druk van Deel VII uit Wessels Insolventierecht, Vereffening van de boedel. Reacties graag voor 12 december 2020 naar: info@bobwessels.nl. In dezelfde maand hoop ik het manuscript af te ronden en naar de bureauredactie van Wolters Kluwer te sturen.

[…]

[7002]

[…]

Negende Afdeling (oud). De Negende Afdeling, art. 198–202 (faillissement van een nalatenschap), is met de inwerkingtreding van Boek 4 BW (Erfrecht) op 1 januari 2003 komen te vervallen. De vereffening van een (nagenoeg) insolvente nalatenschap vindt plaats overeenkomstig de regels van Boek 4, Titel 6, Afd. 3, art. 4:202 e.v. Zie Asser/Perrick 4* (2017), nr. 455 e.v.; Kolkman 2019 (T&C Burgerlijk Wetboek), commentaar bij art. 4:202 e.v. Voor het voordien ten aanzien van het faillissement van een nalatenschap geldende recht, zie de eerste druk van dit werk, par. 1162 e.v. Via schakelbepalingen zijn bepalingen uit de Faillisementswet van overeenkomstige toepassing op de vereffening van een nalatenschap, zie art. 4:217, art. 4:218 lid 5 en art. 4:223. Zie HR 21 december 2018, ECLI:NL:2018:2393; JIN 2019/38; NJ 2019/39. Vergelijk Van Anken, WPNR 7213 (2018); De Jong, WPNR 7295 (2020). In de literatuur wordt onder meer gediscussieerd over de vraag over andere bepalingen uit de wet (art. 37 e.v. inzake wederkerige overeenkomsten; art. 42 e.v. inzake de faillissementspauliana) op de vereffening van een nalatenschap van toepassing kunnen zijn zonder expliciete schakelbepaling, vergelijk Van Dijken, WPNR 7235 (2019), die deze vraag negatief beantwoordt.

[…]

[7224] Karakter beschikking. Art. 187 is van overeenkomstige toepassing bij de vereenvoudigde afwikkeling van een faillissement (art. 137e lid 4) en bij de regeling van het verzet tegen de uitdelingslijst gedurende de schuldsaneringsregeling, zie art. 349 lid 5. De bepaling geldt eveneens bij de vereffening van een nalatenschap op voet van art. 4:218 lid 5 BW jo. art. 187 lid 1, zie Hof Leeuwarden 22 december 2011, LJN BV0309; HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2393.

Een beslissing op een verzet tegen een uitdelingslijst betreft de vraag of, indien ieders recht als crediteur vaststaat, de verdeling tussen de crediteuren op de juiste wijze is geschied. Hieruit volgt dat dit een beschikking is die de vereffening van de boedel betreft, zie HR 4 juni 1909, W 8878. Zij wordt daarom in hoogste ressort gewezen (art. 85), maar beroep in cassatie kan worden ingesteld door de curator en door iedere schuldeiser, art. 187 lid 1.

Vóór 1925 stond tegen het vonnis, op het verzet gewezen, geen beroep in cassatie open, ‘… omdat de uitdeelingslijst niets anders bevat dan eene berekening van hetgeen iederen schuldeischer, overeenkomstig zijn bij de verificatie vastgesteld recht toekomt. Het geldt hier eene uitsluitend feitelijke quaestie’, zie de MvT bij Van der Feltz II (1897), p. 247. Reeds bij de totstandkoming van de Faillissementswet werd tegen deze onhoudbare opvatting bezwaar gemaakt, zie Van der Feltz II (1897), p. 248, en in 1925 kwam de bovengenoemde wet tot stand waarbij de huidige redactie van art. 187 werd vastgesteld. De toelichting geeft aan dat ‘… de ervaring heeft geleerd, dat zich met betrekking tot de wijze, waarop de uitdeelingslijst behoort te worden opgemaakt, wel degelijk rechtsquaesties kunnen voordoen, en het is gewenscht, de mogelijkheid te openen, deze in cassatie te doen behandelen’, zie de MvT bij Kortmann/Faber, Wetswijzigingen (1995), p. 331 e.v. Zie ook par. 7213a over het rechtskarakter van de uitdelingslijst.

Iedere schuldeiser. Het beroep in cassatie kan worden ingesteld door de curator en door ‘iedere’ schuldeiser. A-G Langemeijer, conclusie vóór HR 25 juni 1999, NJ 1999/667, nt. PvS; JOR 2000/14, nt. Van Andel, geeft – mede in het licht van de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis – de doorslag aan de tekst van art. 187, dat niet alleen gerechtigden tot verzet (art. 184), maar alle schuldeisers tot het instellen van beroep in cassatie bevoegd zijn. Nu niet alleen bedoelde kwesties zich kunnen voordoen, maar het karakter van de uitdelingslijst is dat zij de bron van verschuldigdheid vormt, vergelijk art. 6:1 BW, komt mij deze lezing juist voor.

Een boedelschuldeiser mist de in art. 187 lid 1 besloten mogelijkheid van cassatie. De gefailleerde kan evenmin cassatie instellen.

[….]

[7292] Vereisten. Rehabilitatie kan worden gevraagd wanneer het faillissement is geëindigd door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van een akkoord (art. 161) of door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (art. 193 lid 1), art. 206.

[7293] Uitwerking. Uit het bepaalde in art. 206 blijkt dat rehabilitatie dus niet kan worden gevraagd wanneer het faillissement is geëindigd door opheffing wegens gebrek aan baten. Blijkbaar heeft de wetgever aan dit geval niet gedacht. Er is weinig bezwaar om de rehabilitatie ook niet mogelijk te achten na opheffing bij gebrek aan baten, mits de verificatievergadering gehouden is en aldus vaststaat, wie als schuldeiser is erkend, terwijl deze schuldeisers moeten zijn voldaan ten genoegen van ieder van hen, vergelijk in deze zin Rb. Middelburg 6 oktober 1943, NJ 1944/45, 384; alsook Rumora-Scheltema, GS Faillissementswet, ad art. 206. Zie voorts Rb. Dordrecht 10 september 1986, NJ 1987/808.

Nooit insolvent geweest. Als vaststaat dat een stichting bij zijn verzoek van rehabilitatie heeft verzocht te bepalen dat zij nimmer insolvent is geweest in de zin van art. 173, niet vereffend heeft kunnen worden en derhalve niet is ontbonden of opgehouden te bestaan, kan rehabilitatie worden toegestaan, als vaststaat dat de stichting nimmer ontbonden is, zie de rechtspraak te kennen uit Hof Amsterdam 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:602; NJ 2020/333.

Nalatenschap. Art. 206 erkent expliciet (‘of … zijn erfgenamen’) de mogelijkheid dat bij faillissement van een nalatenschap de erfgenamen rehabilitatie van de schuldenaar kunnen vragen. Aangezien de Negende Afdeling, art. 198–202 (‘faillissement van een nalatenschap’), met de inwerkingtreding van Boek 4 BW (‘Erfrecht’) op 1 januari 2003 is komen te vervallen en de vereffening van een (nagenoeg) insolvente nalatenschap plaatsvindt overeenkomstig de regels van Boek 4, Titel 6, Afd. 3, art. 4:202 e.v. (zie par. 7002), schijnt art. 206 abusievelijk niet aangepast. Zuivering van blaam respectievelijk eerherstel van de (overleden) schuldenaar kan ook een verlangen van de erfgenamen zelf zijn, waarvoor de regeling zou kunnen gelden. De zuivering zou dan in het belang van de erfgenamen zelf zijn, om niet met het stigma van een gefaillieerde erflater door het leven te moeten gaan. Het feit dat de gefailleerde zelf niet meer in leven is (en na de rehabilitatie weer aan het rechtsverkeer kan deelnemen), is immers geen voorwaarde voor toepassing van art. 206. De wetsgeschiedenis (zie par. 7291) biedt echter voor deze laatste mogelijkheid (rehabilitatie in het belang van de erfgenamen zelf) amper steun. Rechtspersoon. Ook een ten gevolge van de staat van insolventie ontbonden rechtspersoon kan een verzoek tot rehabilitatie doen, zie Rb. Rotterdam 20 oktober 1961, NJ 1962/16. De rechtbank was van oordeel dat, nu de wet aan de rehabilitatie geen rechtsgevolgen verbindt, de vraag of de ontbonden rechtspersoon bij zijn verzoek enig belang had, niet aan de orde kwam.

0-0-0