Welcome / Blog Archive / Nederlands / 2020-03-doc1 Over de nadere verificatievergadering

2020-03-doc1 Over de nadere verificatievergadering

Geïnteresseerden zijn wederom uitgenodigd commentaar te geven op conceptteksten die ik momenteel schrijf voor de 5e druk van Wessels Insolventierecht V (Verificatie van schuldvorderingen). Zie voor de idee daarachter mijn blog 2020-02-doc3. Ik hoop het manuscript tweede helft maart 2020 naar de bureauredactie van Wolters Kluwer te kunnen sturen. Reacties graag binnen een week naar: info@bobwessels.nl. Hierbij de concepttekst:

[5075] Verificatievergadering en nadere verificatievergadering. Er wordt doorgaans een verificatievergadering gehouden, maar de rechter-commissaris kan ook bepalen dat er een nadere verificatievergadering wordt gehouden (art. 119 lid 3). De gefailleerde neemt op een door de rechter-commissaris te bepalen wijze deel aan de verificatievergadering (art. 116, eerste zin).
[5076] Organisatie verificatievergadering. Art. 116 is van overeenkomstige toepassing bij de verificatie van vorderingen gedurende de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zie art. 328 lid 1.
Reglement. In enkele gevallen kan een verificatievergadering efficiënt worden georganiseerd door middel van een reglement van orde, zie het concept-reglement van orde van de verificatievergaderingen van een drietal Fokker-vennootschappen, gepubliceerd als Bijlage 3 bij het Openbaar Verslag aan Curatoren d.d. 1 juli 1997 (www.fokkernl.com/content/bij3972.htm). Op de op 10 december 2010 gehouden verificatievergadering van DSB Bank NV zijn een – op het Fokker-model geënt – ‘Reglement van orde van de verificatievergadering’ en ‘Huisregels verificatievergadering’ van toepassing, zie https://verificatievergadering.dsbbank.nl/OrdeReglementVV.aspx (ingezien op 3 juli 2014). Vergelijk Verkerk, TvI 2013/11, p. 60.

[5076a] Nadere verificatievergadering. De regeling dat er een verificatievergadering wordt gehouden en dat de rechter-commissaris kan bepalen dat er een nadere verificatievergadering wordt gehouden (art. 119 lid 3), is met de wijziging van de wet die volgt uit de Wet modernisering faillissementsprocedure, Stb. 2018, 299 (sluitstuk van Kamerstukken 34 740), op 1 januari 2019 in werking is getreden. Voordien werd er slechts één verificatievergadering gehouden, maar deze kon worden verdaagd en binnen acht dagen zonder nadere oproeping worden voortgezet. De rechter-commissaris had hierbij discretionaire bevoegdheid. ‘Verdaging’ is niet een nadere vaststelling van een latere datum, maar een aangevangen verificatievergadering op een latere datum voortzetten, aldus HR 10 juli 1951, NJ 1951/654. De wet kent deze verdaging niet meer. Bij grote omvangrijke faillissementen kent men de praktijk van het met enkele weken ‘aanhouden’ van een verificatievergadering. De rechter-commissaris houdt dan de vergadering open ten aanzien van een deel van het verificatieproces, doorgaans de voorlopig betwiste schuldvorderingen. Dit biedt de curator de mogelijkheid, gedurende de periode dat de vergadering is aangehouden, met de betwiste schuldeisers in overleg te treden om zo tot een kleiner aantal definitieve betwiste schuldvorderingen te komen en dus minder renvooiprocedure.

[5077] Aanwezigheid schuldenaar. De gefailleerde neemt op een door de rechter-commissaris te bepalen wijze aan de verificatievergadering deel, zie art. 116 lid 1.

[5077a] Digitaal vergaderen. Art. 116 kent met ingang van 1 januari 2019 een ten dele vernieuwde tekst. Deze dient te verduidelijken dat er geen beletsel is om de verificatievergadering ook schriftelijk of met gebruikmaking van een elektronisch communicatiemiddel te laten plaatsvinden en laat de tot 2019 geldende verplichting van de failliet om bij elke verificatievergadering in persoon te verschijnen, vervallen. Voor de wijze hoe een digitale vergadering in de praktijk voldoende waarborgen kan bieden voor schuldeisers om goed aan het verificatieproces deel te nemen, kent de wet geen regels. Voorshands is dit aan de curator zelf overgelaten, waarbij het van belang is dat schuldeisers kunnen reageren en hun recht van betwisting kunnen uitoefenen. Zie MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 740, nr. 3, p. 31. De rechter-commissaris heeft een discretionaire rol (art. 116, eerste zinsdeel: ‘op een door de rechter-commissaris te bepalen wijze’). Hij kan bepalen of de gefailleerde deelneemt aan een digitale vergadering dan wel als persoon (fysiek) dient te verschijnen. De MvT, t.a.p., gaat ervan uit dat de gefailleerde in beginsel via dezelfde technische middelen deelneemt aan de vergadering als de andere deelnemers: ‘De rechter-commissaris krijgt – in aansluiting op zijn rol van voorzitter van de vergadering – op grond van de gewijzigde bepaling een (bindende) aanwijzingsbevoegdheid om de failliet te verplichten om toch aanwezig te zijn, en op welke wijze. De rechter-commissaris kan bijvoorbeeld bepalen dat de failliet de verificatievergadering die door middel van videoconferentie wordt gehouden, bijwoont vanaf het kantoor van de curator.’ De rechter-commissaris kan bijvoorbeeld aan de gefailleerde opdracht geven om niet dan wel slechts aan een deel van de vergadering deel te nemen, met uitsluiting van een ander gedeelte. Te denken valt aan informatie-uitwisseling met betrekking tot en overleg over de mogelijkheid om de gefailleerde persoonlijk aansprakelijk te stellen. De zinsnede ‘op een door de rechter-commissaris te bepalen wijze’ schept daarvoor dan ruimte. De gefailleerde behoudt uiteraard zijn recht om de vorderingen gemotiveerd te betwisten ex art. 126. Over de in 2019 vernieuwde verschijningsplicht van de gefailleerde, zie Verwey (2019), 240 e.v.