Is continuïteit een doel van het privaatrecht? Dat is het door de jaren heen wél voor een groep van rechten-docenten van de Erasmus School of Law, Afdeling Law & Business, tezamen met een jaarlijks wisselende groep van hun master-studenten. Voor mij ligt het (alweer) zeventiende deel in de Jonge Meesters-reeks (uitgave Boom, Den Haag). Op mijn blog kondigde ik de laatste jaren bijdragen van Rotterdamse master-studenten aan op telkens weer interessante en prikkelende onderwerpen: ‘belangen’ in het burgerlijk-recht, ‘publiek’ privaatrecht en ‘persoonlijk’ privaatrecht. Een genoegen om te lezen c.q. door te bladeren. De meeste bijdragen frissen (zeker bij iemand die in de jaren 70 van de vorige eeuw is afgestudeerd) wat verzonken kennis op, verschaffen de laatste literatuur, brengen nieuwe zienswijzen over het voetlicht en nemen meestal een duidelijk standpunt in. Omdat de auteurs – laatstejaars-studenten – door professionele juridische universitaire auteurs worden begeleid, hebben de bijdragen vaak een duidelijke structuur en, alle bijdragen tezamen genomen, laten zij nieuwe perspectieven zien.
In de meest recente bundel ‘Doelmatig privaatrecht’ is in de inleiding het uitgangspunt geformuleerd dat het privaatrecht niet voor niets op aarde is. Het dient bepaalde doelen. Genoemd worden doelen die traditioneel aan het privaatrecht ten grondslag liggen, waaronder compensatie (of herstel) en gedragsregulering. Daarnaast worden economische doelen genoemd, zoals welvaartverdeling en -bescherming en het bieden van rechtszekerheid. Zijn daarmee alle subcategorieën van het privaatrecht (in mijn wereld: alle onderwerpen die in Boek 1 tot en met 10 van het BW staan) van een ‘doel’ voorzien?
Ik begon niet voor niets met ‘continuïteit’ als mogelijk doel van privaatrecht. In consumententransacties en handelstransacties willen afnemers en gebruikers van producten en diensten voor langere tijd geen ‘gedoe’ over het door hen gecontracteerde. Geen interruptie in de logistiek, geen verhoging van handelstarieven en zo meer. Valt de gewone voortgaan van economische transactie voor langere tijd onder welvaartbescherming? Rechtszekerheid? Voorspelbaarheid? Enfin, daar kan een boom worden opgezet. Ook over doelgericht interpreteren in het (Europese) privaatrecht (bijvoorbeeld door het Hof van Justitie van de EU in Europese insolventiezaken).
Enfin. De centrale vraag in de bundel is of de geschetste traditionele doelen van het privaatrecht nu een belemmering of een houvast zijn bij het exploreren van de relatief nieuwe verschijnselen als technologie, AI, opkomst van duurzaamheid e.d. Dringen oplossingen zich automatisch op uit een ongewijzigde ‘traditionele’ kijk op een zich doorontwikkelend privaatrecht? Of zijn deze dusdanig dat grondslagen van het privaatrecht moeten worden herzien? Bieden de traditionele doelen juist houvast voor het integreren van innovaties (zijn zij een flexibele waarborg voor continuïteit te midden van een veelheid aan razendsnelle veranderingen?). Of moeten deze traditionele doelen worden aangevuld met nieuwe doelen?
Met deze geformuleerde probleemstelling gaan elf master-auteurs de grote vragen van deze tijd te lijf. Ik stip heel kort de thema’s aan.
Micheal Acar bespreekt Europese aansprakelijkheidsegels voor AI-systemen en de mogelijk betere bescherming van consumenten.
Wordt de minderjarig gebruiker van social media voldoende bescherming geboden via het huidige aansprakelijkheidsrecht? Auteur Julian van den Broeke geeft mogelijkheden en grenzen aan, maar acht bescherming via het publiekrecht doelmatiger.
Kirsten Hoogendam zet een zoektocht in naar de evenredigheid van de harde vernietigingssanctie bij oneerlijke huurverhogingen (die, volgens de auteur, momenteel in de rechtspraak ontbreekt).
Functioneert het Paas-contract (‘product-as-a-service’) bij circulaire business-modellen als ‘sluipmoordenaar van consumentenbescherming’. Laura van Dongen zoekt de grenzen op van de traditionele consumentenbescherming en bespreekt de obstakels. Zij signaleert dat de Europese wetgever het bij haar voorstel voor ‘groene transitie’ laat afweten, zodat de nationale Nederlandse wetgever aan bod komt, volgens haar vooral met een regeling van huur van (roerende) zaken. Op de grenzen met de wettelijke koopregeling en het thema van ‘verdienstelijking’ zijn Harriët Schelhaas en ik ook ingegaan, zie onze BW-monografie ‘Koop algemeen’, Wolters Kluwer 2024, nr. 22. Voor het formuleren van een eigen, autonome categorie (en niet leentjebuur spelen bij de wettelijke regelingen van bijzondere overeenkomsten) is het waarschijnlijk nog te vroeg.
Hannah Driesens bespreekt de aansprakelijkheid in het kader van ‘adaptieve Deep Brain Stimulation’ (hersenimplantaten). De specifieke posities van DBS-patiënt, DBS-producent en DBS-arts passeren de revue. Haar oplossing leidt tot een wegen van de informatieverplichting van de arts en de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt.
Het actuele vraagstuk van de privaatrechtelijke consequenties van herstelwetgeving voor de erkenning van koloniale slavernij en slavenhandel door de Nederlandse staat wordt grondig uitgewerkt door Bente van der Knaap. Zijspoor: ik heb mij nog afgevraagd waarom het thema van de bevoegde rechter niet is behandeld nu veel van deze zaken (in het verleden en even afgezien van verjaring) buiten Nederland plaatsvonden en ‘schade’ daar heeft plaatsgevonden althans daar haar ontstaansgrond zal hebben.
Julian Hegge besteedt aandacht aan circulair bouwen, zowel in theorie als de praktijk in het goederenrecht. Daarin komt vooral de functie van het opstal-loos financieren aan de orde als ook de teruggaveplicht en daarbij tevens de bestendigheid van deze fenomenen in het huidige faillissementsrecht. Leesvoer voor sportverenigingen waarvan er diversen (las ik onlangs) kantines, tribunes e.d. bouwen op aan de gemeente in eigendom behorende grond.
Natrekking slaat dan een gat in financiële positie van deze clubs.
Een ondernemingsrechtelijk onderwerp betreft de bekende uitkeringstest voor de NV maar dan in relatie tot een mogelijke volgende stap naar het maatschappelijk verantwoord ondernemen. De auteur is Fei An Kersten. Om een en ander te realiseren acht deze auteur wetswijziging noodzakelijk.
Natuurlijk komt ook het onderwerp ESG aan de orde, in het bijzonder ten aanzien van het behalen van ESG doelen en deze te koppelen aan variabele bestuurders-beloningen. De auteur is Iris van der Torre. Zij ziet wel ruimte in duurzaamheid in de zin van artikel 2:135a lid 6 BW, maar oordeelt dat de duurzaamheidsbonus waarschijnlijk niet doelmatig is. Zij doet voorstellen tot verandering vanuit de overtuiging dat deze duurzaamheidsbonus voor directieleden in het algemeen een bijdrage kan leveren aan duurzaamheid.
Wessel Spaninks bespreekt de vraag of het afdwingen van de CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive) via de Ondernemingskamer nou nuttig of nutteloos is. Uiteraard onderstreept hij de indringendheid van deze CSRD rapportageverplichtingen, maar gebaseerd op zijn onderzoek verwacht de auteur dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is dat een jaarrekeningprocedure op grond van de CSRD zal worden gestart om op basis daarvan een vennootschap of haar bestuurders aansprakelijk te stellen.
Jonathan Mulder, tenslotte, gaat in op het lastige probleem van de schuldeiser na de geïmplementeerde BRRD-richtlijn en diens positie in een regulier bankfaillissement. In geval van een bail-in geef de auteur 3 punten aan die hij beschouwt als zwakker in vergelijking met de schuldeiserspositie in een faillissement.
Het is slechts een korte rondgang, maar al met al bij elkaar een kleurrijk palet aan onderwerpen en aan privaatrechtelijke thema’s, waarbij een nieuwe generatie van (bijna) juristen een kundige en welkome bijdrage leveren.
K.H. Boonzaaijer e.a. (red.), Doelmatig privaatrecht, Boom, Den Haag, 2024. ISBN 9789462129948.
Noot: dit boek ontving ik kosteloos van de Erasmus School of Law.