Search

Follow me

RSS feed

Archive

2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog

2017-10-doc7 Supreme Court of Gibraltar on COMI

Gregory Hugh Colin King is a fraudster. That’s verbatim the way the Supreme Court of Gibralter on 31 July 2017 introduces one of the first cases to which the EU Insolvency Regulation 2015 (EIR 2015) applies. King was a lawyer and a Glasgow car dealer, before becoming a hedge fund manager in Gibraltar. He is, via several of his companies or companies he controls, alleged to have defrauded investors of over US$600 million in a sham concerned with a hedge fund (Heather Capital Ltd), the liquidator of which (Mr. Duffy), was a supporting creditor. This case only concerns a slice of the fraud, £6 million of one of the victims, Advalorem Value Asset Fund Ltd (Advalorem). The court explains that in an earlier judgment, dated 12 January 2017, it gave the liquidator of Advalorem permission to serve a statutory demand on King in Spain as well as giving permission to serve an application for a bankruptcy order out of the jurisdiction on Mr King’s residence or at least the place where he was residing, near Marbella. The questions the Court has to solve: 1 Did the court have international jurisdiction in the meaning of Article 3 EIR 2015 in a case where the filing for bankruptcy dated from 5 June 2017, so from three weeks prior to the date the EIR 2015 came into force, i.e. on 26 June 2017. This also touches upon the question whether the earlier judgment of 12 January 2017 is a judgement ‘opening’ insolvency proceedings in the meaning of Article 2(7), including the question of the ‘time of the opening of the proceedings’, in the meaning of Article 2(8) EIR 2015; 2 If the EIR 2015 applies, which rules establish and determine the debtor’s centre of main interest (COMI). The first question is a question of transitional law. Article 84 EIR (‘Applicability in time’) provides in paragraph 1 that the provisions of the EIR 2015 shall apply only to insolvency proceedings opened after 26 June 2017, and in paragraph 2 that the (old) Insolvency Regulation, although repealed (Article 91 EIR 2015), shall continue to apply to insolvency proceedings which fall within the scope of that Regulation and which have been opened before 26 June 2017. In order to determine whether proceedings were ‘opened’ before or after the entry into force the precise meaning of the wording ‘time of opening of proceedings’ must be determined. A ‘judgment opening insolvency proceedings’ (see Article 2(7) EIR 2015), includes (i) the decision of any court to open insolvency proceedings or to confirm the opening of such proceedings; and (ii) the decision of a court to appoint an insolvency practitioner. The court is satisfied the definition of ‘judgment opening insolvency proceedings’ and the ‘time of the opening of the proceedings’ (see Article 2(8) EIR 2015), i.e. the time at which the judgment opening insolvency proceedings becomes effective, regardless of whether the judgment is final or not, resulted in the point of view that the court had to apply the EIR 2015. It is appreciated that indeed the criterion is not the date of an application for insolvency, but the date op the decision of opening the insolvency proceedings itself is determinative. Then the second question. Typically, when there is a scotsman living in Spain and doing business in Gibralter, the COMI question – detemining the court’s international jurisdiction – pops up. The question is whether King, as a natural person, falls under the scope of Article 3 (‘International jurisdiction’), the third and fourth subparagraph: in the case of an individual exercising an independent business or professional activity, the COMI shall be presumed to be that individual’s principal place of business in the absence of proof to the contrary. That presumption shall only apply if the individual's principal place of business has not been moved to another Member State within the 3-month period prior to the request for the opening of insolvency proceedings. In the case of any other individual, the COMI shall be presumed to be the place of the individual's habitual residence in the absence of proof to the contrary. This presumption shall only apply if the habitual residence has not been moved to another Member State within the 6-month period prior to the request for the opening of insolvency proceedings. The Gibraltar Supreme Court was satisfied on the basis of the evidence that the debtor did carry on his business through companies in Gibraltar and that these companies appeared to be mere extensions used for fraudulent activities. The evidence (provided by the petitioning creditor) included (i) that King owned assets in Gibraltar, (ii) that within the period of three years prior to the date of his affidavit he had carried on business in Gibraltar, either personally or by means of an agent had cash assets in Gibraltar, (iii) that he was the ultimate beneficial owner of various Gibraltar companies, (iv) that has and has had significant interest in connection with many companies in Gibraltar, (v) that he was listed as a director of Gibraltar Assets Management Ltd, a company incorporated in Gibraltar which was a member of the London stock exchange, (vi) that he was party to a loan agreement where the governing law was Gibraltarian law, (vii) that for a limited period between May and July 2007, he may have lived at an address in Gibraltar. The court also assesses various information from third party sources (including press articles in the Wall Street Journal, the Sunday Herald, the Scottisch Financial News and the Sun, mentioning that Pope Benedict XVI had given King an honour in a ceremony in Gibraltar, be it in 2008). This all is easily ascertainable by a third party. The court concludes: ‘So it can be seen if the applicant for the bankruptcy order shows that the respondent exercises an independent business or professional activity in Gibraltar, Gibraltar will be the centre of main interest. If it is not, then the fourth sub paragraph applies and the centre of main interest will be Spain.’ The latter view is, formally, incorrect, as it is not for a Gibraltar court to decide whether COMI can be established in another member state, in this case Spain. Professor Bork (EWiR 18/2017) indicated that as far as he can oversee this is the first court case under the EIR 2015. In the game of ‘who is the first’, I put my cards on District Court Amsterdam 12 July 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5383, leaving aside that on 14 October 2015 a Dutch court already aplied the EIR 2015 by way of anticipation, see this blog under 2015-10-doc16. Advalorem Value Asset Fund Ltd v Gregory King, Supreme Court of Gibraltar, 2016/COMP/039 http://www.gcs.gov.gi/images/judgments/supremecourt/2017/advalorem_value_asset_fund_ltd_v_gregory_hugh_colin_king.pdf More on the judgment opening insolvency proceedings (para. 10521b), on international jurisdiction regarding natural persons (para. 10588 et seq) and concerning Article 84 (para. 10934c) in my book International Insolvency Law Part II. European Insolvency Law (Wessels Insolvency Law Volume X), Deventer: Kluwer, 4th ed., 2017, ISBN 9 789013 145021. For information, see http://bobwessels.nl/2017/09/2017-09-doc4-wessels-international-insolvency-law-part-ii-european-insolvency-law/  

2017-10-doc6 Polak-Pannevis, Insolventierecht, 14e druk, 2017

De laatste 20 jaar verscheen van het boek Polak/Pannevis, Insolventierecht, om de 3 jaar een nieuwe druk. In september 2017 verscheen de 14e druk van het boek dat tot 2011 de titel ‘Faillissementsrecht’ had. Voorwaar een prestatie van formaat. De titel van het boek is wel, maar de opzet is niet gewijzigd. Dus wordt de gehele stof aan de hand van de Faillissementswet beschreven, en waar nodig wordt aanverwante wet- of regelgeving besproken, met veel aandacht voor rechtspraak van de Hoge Raad, maar ook lagere rechtspraak komt aan bod. Dit alles is verwerkt tot 1 mei 2017; een enkele actualiteit van daarna is nog verwerkt. Het accent ligt in het boek op het materiële insolventierecht. Aandacht is er zodoende voor alle belangrijke onderwerpen, van afkoelingsperiode, boedel, bestuurdersaansprakelijkheid, curator tot verrekening, verificatie, vereffening en wederkerige overeenkomsten. Ook wordt in enkele bladzijden de herschikte EU Insolventieverordening besproken. De bewerker geeft aan dat stapje voor stapje het insolventierecht wordt herschreven. Hij bespreekt onder meer de onlangs aangepaste onderdelen van de wet, zoals het civielrechtelijk bestuursverbod en de informatie- en meldings- dan wel aangifteplicht omtrent onregelmatigheden rond het faillissement. Het boek kenmerkt zich door een systematisch samenvatting van wet en rechtspraak, die als toelichting daarop dient. Het heeft een gidsfunctie voor hen die zich binnen de studie of voor een beroep het insolventierecht eigen moeten maken. Het bevat uitvoerige registers op wetsartikelen, rechtspraak en trefwoorden, een voorbeeld van een uitdelingslijst en een lijst van afkortingen (waarin verrassenderwijs als afkorting voor mijn naam wordt gebruikt: BWS). Het boek vormt een deugdelijke introductie tot het insolventierecht, maar een ‘inleiding’ is het, met ruim 500 bladzijden, niet. Dat maakt het weinig geschikt voor educatieve doeleinden. Het is een gedetailleerd naslagwerk, dat vaak wordt aangehaald, in de vakliteratuur en in conclusies genomen door het parket bij de Hoge Raad, hoewel het boek een kritische bespreking van de rechtspraak van de Hoge Raad, discussie met verschenen literatuur en beschouwend commentaar op wetgeving mist. Een voorbeeld. Naast de vanouds bestaande taak van beheer en vereffening van de boedel (art. 68 lid 1 Fw) van de curator heeft de ‘wet versterking positie curator’ per 1 juli 2017 geleid tot een op haar/hem rustende informatie- en meldings- dan wel aangifteplicht van (kortweg) faillissementsfraude (art. 68 lid 2 Fw). Een evaluatie van deze verplichting binnen de algemene taak van de curator, van de doelen die met deze nieuwe verplichting worden gediend (‘poortwachtersfunctie’) en de inherente spanning met het algemene crediteurenbelang dat met een faillissement centraal staat ontbreekt. Dat is jammer omdat daarom het boek daarom als leerboek voor universiteiten weinig geschikt is. Voor de rechtspraktijk dient het als beredeneerd compendium van wetgeving en rechtspraak. Voor het assisteren bij het oplossen van uitdagende, complexe vraagstukken is het boek door het gemis van verwerking van literatuur en commentaar niet goed bruikbaar. Het is spijtig dat de auteur, die vele jaren ervaring in het vakgebied heeft, niet de gelegenheid te baat heeft genomen om niet alleen de titel van het boek, maar ook de opzet van het boek te wijzigen en zijn eigen stempel te zetten. N.J. Polak, Insolventierecht, bewerkt door M. Pannevis, 14e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2017. Nadere informatie via https://www.wolterskluwer.nl/shop/boek/insolventierecht/NPINSOREC/  

2017-10-doc5 Regeerakkoord 2017-2021 over aanpak schulden

In het regeerakkoord 2017-2021 staat onder de kop 'Zekerheid en kansen in een nieuwe economie' op p. 27 een hoofdstuk, getiteld 'Terugdringen van schulden en armoede'. De passages luiden als volgt (nummering heb ik erbij gezet): "Eén op de tien huishoudens heeft problematische schulden. Daarnaast loopt een grote groep het risico om problematische schulden te krijgen. Het kabinet wil het aantal mensen met problematische schulden terug dringen en mensen met schulden effectiever te helpen. 1 Schuldhulpverlening is en blijft een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Via programmatische afspraken wenst het kabinet met gemeenten tot een vernieuwende schuldenaanpak en een verbeterd schuldhulpverleningstraject te komen. Hierbij kunnen de volgende thema’s aan bod komen: 1.1 Verbeteren van de (toegang tot) schuldhulpverlening, met kortere wachttijden. 1.2 Beter samenwerken met andere partijen om onnodig oplopen van schulden te voorkomen. 1.3 Voorkomen van uithuisplaatsingen, zeker als daar kinderen bij betrokken zijn. 1.4 Ruimte geven aan gemeenten om op lokaal niveau met vernieuwende aanpakken en maatwerk te experimenteren. 2 De overheid heeft als schuldeiser een bijzondere verantwoordelijkheid om onnodige vergroting van schulden te voorkomen. De overheid dient de beslagvrije voet te respecteren. Om escalatie van schulden te voorkomen, wordt meer ingezet op direct contact met schuldenaren. De stapeling van boetes vanwege te laat betalen en bestuursrechtelijke premies wordt gemaximeerd. Mogelijkheden voor betalingsregelingen worden uitgebreid. 3 Bij incasso worden misstanden effectiever bestreden. De maximale incassokosten die in rekening mogen worden gebracht, worden gehandhaafd en er wordt bezien of het minimumbedrag omlaag kan. Er komt een incassoregister waarin incassobureaus worden opgenomen, die voldoen aan eisen met betrekking tot oprichting, bedrijfsvoering en opleiding. Indien een incassobureau te vaak de fout ingaat, wordt het beboet en verliest het de registratie. 4 Excessen in kredietverlening zullen worden tegengegaan, net als verdienmodellen waarbij hoge rentes mensen in de problemen brengen en de kosten van wanbetaling op de samenleving worden afgewenteld. 5 De juridische afhandeling van schulden wordt verbeterd. Schuldeisers dienen eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken voor een zaak voor de rechter wordt gebracht. Er komt een experiment met een schuldenrechter, die alle zaken van een schuldenaar geconcentreerd behandelt. Gemeenten krijgen een adviesrecht in de gerechtelijke procedure rondom schuldenbewind. 6 Met gemeenten en erkende vrijwilligersorganisaties wordt gewerkt aan een landelijk dekkend netwerk van vrijwilligersprojecten gericht op schuldhulp en financiële begeleiding. 7 Het kabinet zal extra middelen beschikbaar stellen voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede - in het bijzonder onder kinderen." Zie https://www.tweedekamer.nl/sites/default/files/atoms/files/regeerakkoord20172021.pdf. De punten 1 en 2 kunnen in theorie alleen maar worden onderschreven, hoewel uiteraard veel van de uiteindelijke vormgeving van deze 'programmatisch afspraken' afhangt. Punt 1.3 kan aanleiding zijn art. 287 lid 4 Fw (voorlopige voorziening hangende het schuldsaneringsverzoek) aan te passen. Punt 2 noopt ertoe goed te onderscheiden tussen de overheid als organisatie die het algemeen belang dient, en de overheid als crediteur. Ik begrijp dat het inherente conflict of interest beter onder ogen wordt gezien. Punt 3 kondigt een professionaliseringsslag bij incassobureaus aan, met een 'incassoregister'. Dat is een gekke benaming, beter lijkt Wet op de Incassobureaus, want ik neem toch aan dat bij wet geregeld gaat worden wie de registratie uitvoert, welke criteria daarvoor worden aangelegd, wie de 'erkenning' regelt, met een regeling van boete's en deregistratie die waarborgen voor een zorgvuldige procedure bevat, voordat een kantoor diens registratie wordt ontnomen. Punt 4 is vaag. Punt 5 kan leiden tot een - in de literatuur wel besproken - in de wet op te nemen verbijzondering van een redelijkheid en billijkheidsplicht (tussen contractanten) om niet rauwelijks te dagvaarden, maar eerst buiten rechte een vordering trachten te innen. Mogelijk sluit punt 5 hierop aan: de plicht van een schuldeiser om eerst een betalingsregeling te onderzoeken. Een experiment met een 'schuldenrechter' wordt aangekondigd. Ook onduidelijk. Is dat een 'echte' rechter of een bijzondere rechter (uit de rechtbank?), die ook bemiddelt en als mediator optreedt? Wat zijn 'alle zaken' van de schuldenaar? Diens consumptieschulden en ook zijn schulden wegens alimentatie of zijn hypothecaire schulden? Of ook niet-financiële zaken, bijvoorbeeld probleem met een vergunning? Wat is de verhouding met het met ingang van 1 april 2017 in werking getreden Besluit breed moratorium ex art. 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening? En hoe werkt dit alles uit in het Burgerlijke Wetboek, in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in de Faillissementswet? Genoeg, dacht ik zo, om met aandacht te volgen.

2017-10-doc4 III Prize competition 2018 now open

The HomeInternational Insolvency Institute has opened its competition ofr the Prize in International Insolvency Studies. The Prize in International Insolvency Studies comprises a Gold Medal Prize for the winning submission as well as a Silver Medal Prize, a Bronze Medal Prize, and several Finalist Prizes. The Prizes are accompanied by an honorarium for the Medal winners. it's for the 13th time that III awards its yearly prizes for original legal research. Topics can be matters of international insolvency and restructuring significance and on comparative international analysis of domestic insolvency and restructuring issues and developments. The winner’s contribution will be published in Norton Journal of Bankruptcy Law and Practice, s/he will receive a trip to the III’s conference in New York City in September 2018. The winner(s) will meet insolvency experts from around the world and be invited to present their paper. The III Prize is awarded for original legal research, commentary or analysis on topics of international insolvency and restructuring significance and on comparative international analysis of domestic insolvency and restructuring issues and developments. The Prize Competition is open to full and part-time undergraduate and graduate students and to practitioners in practice for nine years or less. Entries must not have been published and must be available to be posted on the International Insolvency Institute website at www.iiiglobal.org. Medal-winning entries will be considered for publication in the Norton Journal of Bankruptcy Law and Practice (West) and for inclusion in the Westlaw electronic database. Entries may be of any length but a limit of 20,000 - 30,000 words is preferred. Entries must be received by March 31, 2018. Entries will be judged by a distinguished panel of leading international insolvency academics and practitioners from some 10 countries. All Medal Winners and Finalists will be invited to attend the Conference and will be provided with complementary Conference registration. Medal Winners will also be nominated to Class VII of the III NextGen Leadership Program which will convene in New York in September, 2018 during the III's 2018 Conference. For further details and the terms of the III Prize in International Insolvency Studies go to www.iiiglobal.org or contact Franca Tibando, Executive Director of the International Insolvency Institute NextGen Leadership Program, at ++ 1-416-918-7301 or ftibandonextgen@rogers.com.

2017-10-doc3 Chancery Guide amended

In May this year (see http://leidenlawblog.nl/articles/jin-guidelines-strengthen-court-to-court-cross-border-cooperation) I reported that Sir Geoffrey Vos, Chancellor of the High Court of England and Wales, had approved the adoption of the JIN Guidelines, as part of the court’s Chancery Guide. The Guidelines of the Judicial Insolvency Network (JIN) aim to encourage communication and cooperation amongst national courts by pulling together the best practices in cross-border restructuring and insolvency. In addition to the courts of some eight countries mentioned in that blog, recently courts for Brazil, Argentina and the Supreme Court of New South Wales in Australia have adopted these JIN cross-border cooperation guidelines. In May, in England the adoption led to an unfortunate reference to an earlier version of the American Law Institute/International Insolvency Institute Guidelines Applicable to Court-to-Court Communications in Cross-Border Cases. Recently, this has led to an amendment of the Chancery Guide (see https://www.judiciary.gov.uk/wp-content/uploads/2017/09/chancery-guide-bpcs-amendments-20171002.pdf), which in the relevant paragraphs now state: “Court-to-Court communications in cross-border insolvency cases 25.30 There is increasing international recognition that communication between courts in different jurisdictions may be of assistance in the efficient conduct of cross-border insolvency cases. Improved communication may lead to a co-ordinated approach between the courts and maximisation of benefit for all stakeholders of financially troubled enterprises. 25.31 There are, at present, three principal sets of guidelines for court-to-court communications which might be adopted, with appropriate modifications, in such cases. These are the American Law Institute/International Insolvency Institute Guidelines Applicable to Court-to-Court Communications in Cross-Border Cases; the EU Cross-Border Insolvency Court-to-Court Communications Guidelines; and The Judicial Insolvency Network Guidelines for Communication and Cooperation between Courts in Cross-Border Insolvency Matters. The ALI/III Guidelines are available at https://www.iiiglobal.org/sites/default/files/ALI--III%20Global%20Principles%20booklet.pdf. The EU Guidelines are available at http://www.tri-leiden.eu/uploads/files/eu-cross-border-insolvency-court-to-court-cooperation-principlespdf.pdf. The JIN Guidelines (with minor amendments for use in England and Wales) are available at https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/612376/JIN_Guidelines.pdf. 25.32 In a cross-border insolvency case, the insolvency practitioner involved, together with any other interested parties, should consider, at an early stage in the proceedings, whether the Court should be invited to adopt one of these sets of guidelines for use in the proceedings, with such modifications as the circumstances of the case may require.”