Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog

2018-09-doc2 UK's rescue proposals use ELI Business Rescue report

In the last week of August, the UK Government has announced new legislative tools that will improve rescue opportunities for financially-distressed companies. See https://www.gov.uk/government/news/new-tools-to-improve-rescue-opportunities-for-financially-distressed-companies. One specific item I wish to highlight, which relates to cross-class cram down, especially the golden rule that secured creditors be granted absolute priority on repayment of debts and that junior creditors should not receive more than creditors more senior than them (the absolute priority rule of APR), unless the more senior class consents to any departure from this principle. Although the APR is used in a number of restructuring regimes around the world, the UK Government has concerns about the lack of flexibility it provides. The Government then, with approval, cites the September 2017 European Law Institute (ELI) Rescue of Business in Insolvency Law report, written by German prof. Madaus and me (p. 72, note 35 in the UK Governments report), see http://www.bobwessels.nl/blog/2017-09-doc3-eli-business-rescue-report-published/, where we develop considerable criticism concerning the inflexible nature of the APR rule, referencing the American Bankruptcy Institute’s Commission to Study the Reform of Chapter 11 (2014) in which the absolute priority rule is described as '... inflexible and often a barrier to a debtor’s successful reorganization’. See for the proposal from the UK Government the site mentioned. It is good to see that the addressees we as authors had in mind indeed are using our report, at least a small part of it (with thanks to Ilya Kokorin, lecturer Leiden Law School).

2018-09-doc1 Herstructureringsopties - interview

Vandaag, 4 september 2018, publiceert SDU een themakrant van SC (Staatscourant) Online over faillissementsrecht. Zie http://www.sconline.nl/artikel/thema-faillissementsrecht. In een interview kom ik aan het woord over pre-pack en WHOA. De concepttekst van dat interview, geschreven door Nicolette van den Hout, volgt hieronder.
 
Meer mogelijkheden om een bedrijf te redden

Als er een faillissement voor een bedrijf dreigt, zijn er ruwweg vier reorganisatiemethodes. Maar deze methodes werken niet allemaal even goed en lopen vloeiend in elkaar over. Met de herijking van de Faillissementswet komen er in de reorganisatiepijler twee vastomlijnde methodes bij: de zogenoemde pre-pack en de WHOA.

Eindelijk wordt de pre-pack wettelijk verankerd en komt er een goeddoordachte procedure voor een dreigend faillissement. Dat vindt Rob van den Sigtenhorst, advocaat bij Florent en gespecialiseerd in insolventie en herstructureringen.

Als nu een bedrijf failliet dreigt te gaan, kan het via een informele procedure afspraken maken met bijvoorbeeld de bank en schuldeisers. Maar, als er één belanghebbende dwarsligt, kan het bedrijf alsnog ten onder gaan. Als de Wet homologatie onderhands akkoord ter voorkoming van faillissement (WHOA) wordt aangenomen, kan een bedrijf verder gaan met een formele procedure. Als de meerderheid van de schuldeisers en aandeelhouders akkoord gaat met bijvoorbeeld het saneren van de schulden, dan kan de rechter dankzij de WHOA een dwangakkoord goedkeuren. Met het dwangakkoord worden ook de andere schuldeisers gedwongen mee te werken.

WHOA
‘De wetgever heeft samen met de markt de WHOA zo vormgegeven dat je er veel kanten mee op kunt,’ zegt Van den Sigtenhorst. ‘Het type akkoord dat gesloten kan worden is heel breed en kan toegespitst worden op de problemen van zowel grote als kleine bedrijven. Het zal ook relatief goedkoop zijn. De advocatenbranche heeft er namelijk voor gepleit om de kosten van het griffierecht naar rato te laten zijn. Voor een groot bedrijf kan dat dan bijvoorbeeld één miljoen euro zijn en voor een klein bedrijf misschien wel helemaal niets.’ Maar, het WHOA-traject kan alleen ingezet worden bij bedrijven die ruim op tijd een faillissement zien aankomen, die nog genoeg geld hebben om te reorganiseren, die nog levensvatbaar zijn en een serieus plan hebben hoe ze uit de problemen komen.

Maar, vaak ontkennen ondernemers te lang dat er financiële problemen zijn. ‘Nu hebben bestuurders vaak ook geen andere opties, behalve dan de informele vrijblijvende procedure, dan doorgaan totdat het echt niet meer gaat,’ zegt Van den Sigtenhorst. ‘De hoop is en de ervaring uit het buitenland belooft dat het invoeren van een procedure als de WHOA dit probleem kan helpen verbeteren. Als er namelijk een goede en bekende procedure bestaat, dan kan dat de drempel verlagen om op tijd aan herstructureringspogingen te beginnen.’

Als bedrijven het faillissement te laat zien aankomen, dan wordt het zogenoemde pre-pack een optie. ‘Pre-pack is een scenario voor als het geld op is, leveranciers niet meer leveren, het bestuur niet meer verder kan zonder grote aansprakelijkheidsrisico’s of als de WHOA niet is gelukt,’ zegt Van den Sigtenhorst. ‘De problemen zijn dan zo groot dat een faillissement onvermijdbaar is.’

Pre-pack
Bij een pre-pack verzoekt de ondernemer de rechtbank om alvast een curator aan te stellen. De benoemde curator bekijkt dan de mogelijkheden voor een doorstart na faillissement. Doordat het voorafgaand aan het faillissement gebeurt, kan dat onderzoek nog in ‘relatieve rust’ gedaan worden. Maar volgens Bob Wessels, emeritus hoogleraar insolventierecht Universiteit Leiden,  is er geen sprake van een doorstart bij een pre-pack, ‘omdat er niks stopt’. ‘Doordat de benoemde curator alles goed heeft voorbereid, kan een onderneming binnen 24 of 48 gewoon doorgaan.’
Geheel hetzelfde blijft het bedrijf niet, volgens Van den Sigtenhorst. ‘De onderneming gaat failliet en blijft achter. Het deel dat wel doorstart kan dan een voortzetting zijn van dezelfde activiteiten, met dezelfde activa als van de oude onderneming, maar met een ander bestuur, aandeelhouders en/of een andere eigenaar.’

‘De pre-pack is een bijzonder effectief proces om de beste deal voor de schuldeisers te krijgen,’ zegt Wessels. ‘Daarnaast is het goed voor de continuïteit van het bedrijf, van haar contacten en haar contracten met toeleveranciers en dienstverleners, en met afnemers en klanten. Bovendien blijft de werkgelegenheid behouden.’ Maar het heeft ook een keerzijde, vervolgt Wessels. ‘Het kan een zij het bewerkelijke, maar goedkope manier zijn om van je schuldeisers af te komen, op een wijze die een hard ploeterende concurrent niet heeft. Daarnaast is het onderhandelingsproces niet transparant en het is onduidelijk hoe de keuze wordt gemaakt ten aanzien van de mensen die wel worden ontslagen.’

Deze pre-packmethode wordt in de praktijk al een aantal jaar gebruikt, ‘maar door de uitspraak van Smallsteps/Estro, houdt iedereen een beetje zijn adem in bij de pre-pack,’ zegt Van den Sigtenhorst. ‘Rechtbanken, uitzonderingen daar gelaten, benoemen geen stille bewindvoerders meer. Als de wet er is, moeten alle pre-packs voldoen aan de Europese uitspraak. Dus je kan dan niet meer voor het faillissement de continuïteit van een onderneming volledig dichttimmeren, zodat meteen na het faillissement met een vingerknip doorgegaan kan worden. Bij een pre-pack mag de doorstart alleen worden voorbereid door te kijken naar potentiële kandidaten die het bedrijf willen kopen, de koop mag nog niet rond zijn. Bovendien mag het geen manier zijn om goedkoop van werknemers af te komen.’ Wessels stemt daarmee in. Het streven achter de WHOA, om in beginsel levensvatbare bedrijven te redden, is mooi, maar de WHOA mag geen debt-wash-mechanisme worden. Wessels: ‘De integriteit van de procedure moet gewaarborgd worden, waarbij turnaround-specialisten en andere professionals zorgvuldig te werk gaan. Het stemmen in verschillende klassen van schuldeisers en aandeelhouders kan bewerkelijk en tijdrovend zijn. Voor de stemuitslag gelden alleen uitgebrachte stemmen. Een voorstel voor het akkoord is aangenomen als twee/derde deel van de schuldeisers in één klasse instemt. Indien niet alle schuldeisers hebben ingestemd zal een verzoek tot homologatie op enkele algemeen in de wet geformuleerde weigeringsgronden kunnen worden afgewezen. In bepaalde omstandigheden kan een afkoelingsperiode door de rechter worden afgekondigd. Kortom, voor de beroepspraktijk en de rechterlijke macht is de WHOA een stevige kluif’.

2018-07-doc3 Passing away of prof. Ian F. Fletcher

Prof. em. Ian F. Fletcher QC (hc) Obituary

With great sadness I report the passing away of a dear friend and colleague, Ian Fletcher, on 21 July 2018. He was 74. I will commemorate him on another occasion more fully, but I wish to express here that in particular the world of international insolvency law has lost a giant. I have known Ian for close to 25 years, from around the time that he started chairing the INSOL International Academics’ Colloquium. Since then our international academic lives developed along a parallel course. Around 2005 we were part of a group of founding members (the ‘Brisbane Initiative’) of what now is regarded as the best and most appreciated global education course, the INSOL International Fellowship course. As European experts we were appointed in 2006 by the American Law Institute (ALI) and the International Insolvency Institute (III) to develop what have become, in 2012, the Global Principles for Cooperation in International Insolvency Cases, which brought us to several places in Europe and the US. Our recommendations, later, formed the groundwork for the European cross-border cooperation principles for judges in 2015 (Ian chaired the advisory board), now accepted for instance by the High Court in London and – see the recent CERIL 2018-01 report – recommended for use by the Dutch Minister of Justice. In the Netherlands Ian more specifically is known for our joint report ‘Harmonization of Insolvency Law in Europe’, for the Dutch Association for Civil Law (Vereniging voor Burgerlijk Recht), 2012.
In 2016, with me and five other international colleagues he founded the Conference of Restructuring and Insolvency Law (CERIL), an independent non-profit, non-partisan think tank committed to the improvement of restructuring and insolvency laws and practices in the EU. I am particularly pleased and thankful that Ian and I have worked together so intensively on these groundbreaking topics and activities. Ian has always impressed me with non-political views, being pragmatic, embracing integrity and standing for independent thinking. It was a joy to know and to work with someone who was so honest both as a person and intellectually. It was a great tragic for him, his wife Letitia and their sons Daniel and Julian, when he slowly lost his strength due to a malignant condition. I extend my deep sympathies with them. Ian left his mark on the insolvency world. I will miss him and always remember him.

Dordrecht, 24 July 2018 – Bob Wessels

2018-07-doc2 Vernieuwing Centraal Insolventieregister

Aangehecht een pdf van de concept tekst van mijn korte bijdrage 'Naar real-time raadpleging van het Centraal Insolventierechter', geplaatst in WPNR 7202 (2018)

2018-07-doc1 Insolvency Reg or Brussels I Reg

Recently, the Netherlands Supreme Court approached the Court of Justice of the European Union (CJEU) for anwers to preliminary questions in a case regarding NK, a Dutch insolvency practitioner (IP) appointed in two proceedings, versus BNP Paribas Fortis NV.
The IP is appointed in insolvency proceedings concerning an insolvent bailiff, as well as in proceedings concerning the bailiff's office, X, organised as a private limited company, which is insolvent too. The insolvency practitioner is asking Fortis Bank to pay an amount that represents a sum that the bailiff – also former director and sole shareholder of the company – had transferred from a Belgian bank account of X before the commencement of the insolvency proceedings (after the bailiff had transferred the amount from their Dutch account to a Belgian payment account).
The IP believes that the bank acted unlawfully towards the joint creditors of X and its former director by taking part in the withdrawals without any concern and without complying with its legal obligations. As a result, the creditors in the two insolvencies have suffered damage.
For such a situation, since 1983, Dutch case law has created its own claim with its own name: the claim for compensation that an IP, acting on the basis of the instruction given to him in Article 68 of the Dutch Bankruptcy Act, can bring on behalf of the joint creditors of an insolvent estate against a third party who unlawfully acts against the creditors – so called a Peeters / Gatzen claim.
The Dutch Supreme court on 8 September 2017, concerned itself with the nature of this type of claim: is it an “insolvency” claim in which case the Insolvency Regulation applies, or is it a “general civil law” claim, in which case the Brussels I Regulation applies. The answer to this question is decisive for which court (a Dutch or a Belgian court) has international jurisdiction over the case.
The Dutch Supreme Court first discussed the mutual dependency of the Insolvency Regulation and the Brussels I Regulation. It considered that both legal instruments must be interpreted in such a way that overlaps between the legal rules laid down therein and any legal vacuums are avoided.
Secondly, the court found that claims excluded from Brussels I under Article 1(2)(b) of the Regulation because they concern “…. bankruptcy, proceedings relating to the winding-up of insolvent companies or other legal persons, judicial arrangements, compositions and analogous proceedings”, fall within the scope of the Insolvency Regulation. Conversely, claims that fall outside the scope of the Insolvency Regulation fall within the scope of Brussels I. The court refered to the CJEU decision of 4 September 2014, Nickel & Goeldner Spedition v Kintra UAB.
Thirdly, the court said the scope of the Brussels I Regulation should be broadly applied, because the EU legislature has opted for a broad interpretation of the concept of “civil and commercial matters” in Article 1(1) of the Brussels I Regulation. This does not, however, apply to the Insolvency Regulation: only claims arising directly from insolvency proceedings and closely related thereto are outside the scope of the Brussels I Regulation.
The legal basis of the claim is, according to the CJEU, the decisive criterion: it must be ascertained whether the law or the obligation on which the claim is based follow from common rules of civil and commercial law, or from specific deviating rules for insolvency proceedings.
In the case at hand, the Peeters / Gatzen claim was instituted by the Dutch IP and relates to the creditors’ right to claim and the liability of the third party against the creditors. The Dutch Supreme Court saw the claim as an aquarelle painting with different colours, because this right of action and liability derive from the common rules of civil law, namely the rules regarding tort. However, the (exclusive) power of the appointed IP to institute legal proceedings for the benefit of the joint creditors arises directly from specific rules in the Dutch Bankruptcy Act. Furthermore, the claim belongs to the joint creditors, but is made effective via the IP. It is not equal to the sum of the claims in tort of the individual creditors.
Moreover, the proceeds of the claim fall into the insolvent estate, because the proceeds serve to restore the interests of the joint creditors.
Given these mixed characteristics, the Supreme Court found there may be reasonable doubt as to whether the Peeters / Gatzen claim is one that arises directly from specific rules for insolvency proceedings, and therefore falls outside the scope of the Brussels I Regulation.
From three other requests that the Supreme Court filed with the CJEU, I note only the question whether, in case the earlier question is answered in the affirmative and the claim concerned is covered by the Insolvency Regulation, that claim then would be governed by the law of the member state where the insolvency proceedings were opened under Article 4(1) of the Insolvency Regulation, both as regards the power of the liquidator to bring the claim and as regards the substantive law applicable to that claim.
Answers to queries on the mutual relation between the two instruments are a rather common feature in practice, as – after centre of main interests (COMI) controversies – the relationship between the Insolvency Regulation and the Brussels I Regulation is the second largest source for litigation.
A case decided on 28 February 2018 by the First Instance Court of Oost-Brabant in the Netherlands, serves as a demonstration. PlanB4you, a Dutch incorporated company, had been subject to insolvency liquidation proceedings since 15 March 2016. Its management was not complicated. The director (X) managed the company, and his daughter (defendant in the case) managed the finances of PlanB4you. Both X as a person, PlanB4you as a company and the Belgian company Create Commerce BVBA were sentenced by criminal convictions of the Amsterdam District Court on 4 May 2016 for moneylaundering and fraud in connection with a so-called Ponzi scheme. The Belgian Public Prosecutor’s Office imposed criminal charges on Belgian bank accounts belonging to Commplus, a subsidiary of Create Commerce BVBA, totaling €547,153.51 and of the daughter totaling € 82,401.26. Both were prosecuted for money laundering in Belgium. However, they were acquitted on appeal.
One of the claims of the appointed IP was a Peeters / Gatzen claim. The first instance court refered to the Dutch Supreme Court’s preliminary questions to the CJEU in connection with the international jurisdiction to hear a Peeters / Gatzen claim and the applicable law to it. In this case, however, the first instance court saw no reason to wait for the CJEU’s replies to the preliminary questions, because the court considered itself competent to hear the IP’s claims since Dutch law applied in any case.
The first instance court hypothised two scenarios: (i) if the Luxembourg judges decide that the Insolvency Regulation is fully or partially applicable to a Peeters / Gatzen claim, then it is decisive that the insolvency proceedings of PlanB4you have been opened in the Netherlands.
The Dutch court is then competent to hear the Peeters / Gatzen claim against Belgian-seated Commplus and the daughter on the basis of Article 3(1) of the Insolvency Regulation, and on the basis of Article 4(2) of that same Regulation, Dutch law applies.
However (ii), if the CJEU comes to the conclusion that the Insolvency Regulation is not fully applicable, the international jurisdiction and the applicable law must be assessed against the European rules for a wrongful act. Then it will be the court of the place where the harmful event occurred that has jurisdiction over obligations arising from unlawful acts, pursuant to Article 4(1) of the Rome II Regulation.
In this case, the unlawful act put forward by the IP means that Commplus and the daugther have disadvantaged the joint creditors of PlanB4you in their means of redress by participating in the removal of the Dutch assets of PlanB4you, as a result of which the creditors no longer can lay their hands on these assets. The court determined that this alleged unlawful act was committed in the Netherlands, so that the Dutch court has jurisdiction anyway, and the damage also occurred in the Netherlands, so Dutch law was applicable.

I have never heard anyone say that matters of cross-border insolvency law are simple.

References
Dutch Supreme Court decision of 8 September 2017, ECLI:NL:2017:2269
Nickel & Goeldner Spedition v Kintra UAB, C-157/13, ECLI: EU: C: 2014: 2145, NJ 2015/89, at 21
First Instance Court of Oost-Brabant decision of 28 February 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:880

This is a slightly adapted version of a regular column Bob Wessels is writing for Global Restructuring Review (GRR) on the topic of cross-border restructuring and insolvency in a European context. GRR is a subscription-only publication, but here is a link to the full piece, which appeared in GRR April 2018. See  http://globalrestructuringreview.com