Search

Follow me

RSS feed

Archive

2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog

2017-12-doc5 Extension of administration; what abour Brexit?

Many of my students have studied the Nortel Network case, including the one decided by the England and Wales High Court of Justice (Ch. Div.) [2009] EWHC 206 (Ch),  in which the joint administrators of Nortel Networks UK Limited and 18 other companies in the Nortel Group of companies sought directions from the court how to handle certain matters with creditors abroad. It was one of the cases that insprired the European law maker to introduce Article 36 EIR 2015 Recast, ending in a result that rather has drifted away from the original typical English undertaking. See my book International Insolvency Law Part II (2017), para. 10836f and onwards. Anyway, over 8 years later, on 14 December 2017, the joint administrators of Nortel Networks UK Limited and the other 18 companies approach the court once more, see England and Wales High Court (Chancery Division) 14 December 2017, [2017] EWHC 3299 (Ch). They wish to extend their terms of office by a period of 12 months, to 13 January 2019. Their terms of office had been extended on four previous occasions, most recently by that same Court on 2 December 2015, by 24 months to 13 January 2018: see High Court of Justice [2015] EWHC 3618 (Ch). The period of extension sought by the administrators is only one year, namely to 13 January 2019. Why an extension for one year only? The High Court continues:
'That is largely because of the uncertainty caused by the fact that on 29 March 2017 HM Government gave notice of the United Kingdom's intention to withdraw from the European Union. That withdrawal is expected to take effect on 29 March 2019. The uncertainty arises because the administrations (and where applicable the CVAs) of the Companies are main proceedings for the purposes of the Regulation (EC) on Insolvency Proceedings 2015 (No 2015/848) (the "Recast Insolvency Regulation"). Pending the completion of any withdrawal agreement between the UK and the European Council, it is uncertain whether and if so, how, the Recast Insolvency Regulation will apply to the administrations of the Companies or the CVAs and what, if any, recognition will be given to the Administrators or the CVA Supervisors by the courts of the EU Member States after 29 March 2019. Given this uncertainty, the Administrators consider, and I agree, that it is prudent not to extend the administrations beyond 29 March 2019 at this stage.'
Subject to reaching final agreement with the local tax authorities, the administrators consider that it should be possible to complete the administrations of the companies (other than three of them, one of which is the company responsible for making distributions) within a one year extension period. What about a new extension? The Court:
'The Administrators intend to seek further directions in late 2018 in respect of the administration of any of the Companies which is likely to continue beyond 13 January 2019. By that time, it is hoped that the position of the administrations and CVAs following the withdrawal of the United Kingdom from the European Union will be clearer.'
Snowden J, therefore, proposes to grant the one year extensions sought by the administrators.

België - curatoren en vereffenaars

In België is de boekenreeks ‘Curatoren en vereffenaars’ een begrip. Onlangs verscheen: ‘Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen IV’; de delen I, II en III verschenen in 2006, 2010 en 2014. Ook in dit recente deel worden de belangrijkste bijdragen gebundeld die gedurende de postuniversitaire opleiding Curator-Vereffenaar, georganiseerd door de Universiteiten van Leuven en Antwerpen, worden onderwezen. In Deel IV worden thema’s en onderwerpen behandeld die nieuw zijn sinds 2014. De redacteuren zien het deel als een aanvulling op de eerder verschenen boeken, die op verschillende punten hun gelding hebben behouden. In Deel III schreef ik over de positie van – wat we nu noemen – de insolventiefunctionaris (zie http://www.bobwessels.nl/blog/2014-05-doc1-positie-faillissementscurator-in-grensoverschrijdende-insolventiezaken/), maar de herijkte Europese Insolventieverordening is in de recente opleiding niet aan bod gekomen.

Ik maak bij de opgenomen bijdragen een enkele opmerking, vooral vanuit het perspectief van Nederland. Opgemerkt zij dat België aan de vooravond staat van een civielrechtelijke transformatie, de aanpassing en codificatie van het insolventierecht (zie http://www.bobwessels.nl/blog/2016-12-doc4-de-sprong-naar-morgen-in-belgie/) en een hervorming van het BW, in het bijzonder het verbintenissen-, goederen- en bewijsrecht waarvan begin december 2017 de teksten voor consultatie zijn vrijgegeven, zie http://corporatefinancelab.org/2017/12/08/hervorming-van-het-bw-voorstelteksten-verbintenissenrecht-goederenrecht-en-bewijsrecht/.

De eerste bijdrage in Deel IV ‘Draaiboek collectief akkoord en overdracht onder gerechtelijk gezag’ (auteurs: Brijs, Lindemans) bevat nuttige infomatie over het opstellen van een reorganisatieplan, de stemming (in België niet in klassen) en de weigering van de homologatie, bijvoorbeeld op grond van ‘schending van de openbare orde’. Dat is een niet voor de hand liggende grond, waarvan de schrijvers de principiële en constitutionele dimensies in rechtspraak en literatuur blootleggen. Met 25 pagina’s wordt vervolgens de positie van de curator (Lysens) geschetst. Herkenbare problematiek (opname of een lijst, selectie), maar ook Belgisch eigen kenmerk: de eedsaflegging. Op dit stuk volgt ‘Werkwijze van de curator: opstart, beheer faillissement, sluiting’ (Van de Mierop), een praktische bijdrage die goed past op het niveau van de postacademische opleiding. Het meldt de invoering per 1 april 2017 van het Centraal Register Solvabiliteit. Een uitvoerige bijdrage is ‘Vorderingen tot reconstructie van de boedel: (bestuurs)aansprakelijkheid en actio pauliana’ (Vananroye, Lindemans, Verheyden). Voor het eerst in de bundel is hier een verwijzing naar Nederlands recht opgenomen, de Peeters/Gatzen-vordering als ook de ‘jurisprudentiële evolutie in Nederland’ (arrest Lunderstädt, 2001) en de verschillen in benadering in België. Oeps! Verwijzingen naar mijn serie geschieden naar de eerste druk, uit 2001, niet naar de laatste, de vierde, uit 2015. Ook bij ‘Samenloop en rangschikking van schuldvorderingen bij faillissement: algemene beginselen’ (Storme) vindt een vergelijking Zuid-Noord plaats door te verwijzen naar het door de Hoge Raad gehanteerde fixatiebeginsel. De beschouwing ‘Enkele bedenkingen over lopende overeenkomsten in het solventierecht’ (Leunen, Schelkens) kan Nederland inspiratie bieden bij het overdenking van de voorgestelde regeling in het Voorontwerp Whoa. Heel uitvoerig, meer dan 100 pagina’s, is ‘Externe bestuurdersaansprakelijkheid wegens fiscale en sociale schulden bij faillissement’ (Tilleman, Van Damme), heel praktisch ‘Administratiefrechtelijke aandachtspunten bij de vereffening van vastgoed. Informeren en geïnformeerd worden, dat is de kwestie’ (Verbist, Bimbenet), met een bespreking van een recent protocol over uitvoering van bodemonderzoek, bodemsanering en afvalstoffenverwijdering, en heel inzichtelijk ‘De rol en rechtspositie van de werknemers in de WCO’ (Peeters) en ‘Sociaalrechtelijke aandachtspunten voor curatoren’ (Persyn, Van Vynckt). In ‘Waar financiën en justitie curatoren, vereffenaars en schuldbemiddelaars ontmoeten’ (Desterbeck) is er aandacht voor ‘penale’ boeten, minnelijke schikkingen en verbeurdverklaringen. Tenslotte, in ‘Status quaestionis inzake vereffening van vennootschappen: stilte na vele wetswijzigingen’ (Braekmans, Snyers) een evaluatie van de legislatief (met onder meer de ‘Potpourri I-wet’) slechts relatieve rust van het lastige vraagstuk van vereffening van een vennootschap buiten faillissement.

De Belgische Faillissementswet vereist dat curatoren een bijzondere opleiding genoten hebben en waarborgen bieden inzake bekwaamheid op het gebied van vereffeningsprocedures. Aan vereffenaars van vennootschappen worden geen wettelijke bekwaamheidsvereisten gesteld, maar zij worden gecontroleerd door de rechtbank van koophandel. Voor beide groepen is het boek, soms in combinatie met een vorig deel, een actueel naslagwerk. Nederlandse practici en academici zullen zeker voor deelgebieden belangstelling hebben.

Herman Braeckmans, Matthias E. Storme, Melissa Vanmeenen, Bernard Tilleman, Joeri Vananroye (eds.), Curatoren en Vereffenaars; Actuele ontwikkelingen IV, Antwerpen-Cambridge: Intersentia, 2017, 514 pp.

Bestelinformatie

http://intersentia.com/en/curatoren-en-vereffenaars-actuele-ontwikkelingen-iv.html

Noot: dit boek ontving ik kosteloos van de uitgever met het verzoek om het aan te kondigen of te bespreken op mijn blog op www.bobwessels.nl.

2017-12-doc3 Officer of the court

In England, being a liquidator or an administrator, you are an ‘officer of the court’. This generally means that a court has inherent jurisdiction to control the conduct of its ‘own’ officer if euther the procedure is being conducted by the court or the governing legislation so provides. A liquidator in a voluntary winding up, however, is not such an officer of the court.

What’s determinative to being an officer of the court? Whether the appointment is made by a court is not decisive as in a compulsary liquidation an appointment may have been made by the creditors or the Secretary of State. Anderson, in his recent book, which I reviewed last week (http://www.bobwessels.nl/blog/corporate-insolvency-law-as-memoires/) at 12.10, suggests that the office-holder is an officer of the court if either the procedure is being conducted by the court or the legislation so provides (as with ‘administration’). Being an officer of the court generally means as far as the jurisdiction of the court is concerned that (i) the rule of Ex parte James ((1874) LR 9 Ch App 609 (CA)) applies, and that (ii) interference with the performance of the officer-holder’s functions will be a contempt of court.

What is the position of an applicant having been appointed bankruptcy trustee by the High Court in St. Vincent and the Grenadines when he applies for and obtained an order from the English court recognising the proceedings in respect of the debtor as foreign main proceedings under Article 17 of the Cross-Border Insolvency Regulations 2016 (the English version of the UNCITRAL Model Law). Is he an officer of the court?

 

In a recent case, the question is answered by Robin Dicker Q.C. (sitting as a Deputy High Court Judge), see The Bankruptcy Trustee of Harlequin Property Svg Ltd v ELS Law Ltd & Ors [2017] EWHC 3004 (Ch) (28 November 2017) [2017] WLR(D) 791, [2017] EWHC 3004 (Ch). He cites ‘… the most authoritative word on this subject’, being a case decided by a judgment of Lord Neuberger in Re Nortel GmbH [2013] UKSC 52, who considered (at 122):

‘As to the common law, there are a number of cases starting with Ex p James; In re Condon (1874) LR 9 Ch App 609, in which a principle has been developed and applied to the effect that "where it would be unfair" for a trustee in bankruptcy "to take full advantage of his legal rights as such, the court will order him not to do so", to quote Walton J in In re Clark (a bankrupt), ex p The Trustee v Texaco Ltd [1975] 1 WLR 559, 563. The same point was made by Slade LJ in In re TH Knitwear (Wholesale) Ltd [1988] Ch 275, 287, quoting Salter J in In re Wigzell, Ex p Hart [1921] 2 KB 835, 845: "where a bankrupt’s estate is being administered … under the supervision of a court, that court has a discretionary jurisdiction to disregard legal right" which "should be exercised wherever the enforcement of legal right would … be contrary to natural justice". The principle obviously applies to administrators and liquidators: see In re Lune Metal Products Ltd [2007] Bus LR 589, para 34.’

There are a number of reasons why, in the judge’s view, the principle in ex parte James cannot assist the applicant in the present case:

‘The first reason is that the principle provides a means whereby "the court can control the conduct of its own officers" (see Re Lehman Brothers International (Europe) [2015] EWHC 2270 per David Richards J at [174]) and the Applicant is not an officer of this court’.

Liquidators in a voluntary liquidation have been held by the Court of Appeal not to be officers of the court and the same is the case for administrative receivers, the judge explains, ‘… even though both are entitled to seek the directions of the court in relation to matters arising during the course of the relevant proceedings’.

Given in the case at hand that the Applicant is not an officer of this court, having been appointed bankruptcy trustee by the High Court in St. Vincent and the Grenadines, the principle in ex parte James does not apply to him. Judge Dicker referes to other recent court cases, taking the same view.

Is that position affected by the fact that the Applicant applied for and obtained an order from the English court recognising the proceedings in respect of the Company as foreign main proceedings under article 17 of the CBIR. The juge answers negatively:

‘(1) Recognition under the CBIR triggers a stay on proceedings under article 21 and entitles the foreign representative to relief under article 21, including, as in this case, seeking the court's directions, pursuant to article 21(1)(g). But, as illustrated by the position in relation to liquidators in a voluntary liquidation and administrative receivers, this entitlement does not make someone an officer of this court.

(2) When the legislature amended the regime governing administration in 2002, it expressly provided for administrators to be officers of the court, whether appointed by the court or not. Although enacted four years later, there is no similar provision in the CBIR.

(3) Status as an officer of the court entails amenability to the court's supervisory jurisdiction, including its punitive and disciplinary powers. There is no indication that the CBIR was intended to permit this court to exercise such powers against a foreign professional, merely because he had obtained an order for recognition.’

The principle in Ex parte James therefore is not applied in this case.

2017-12-doc2 Corporate insolvency law, as memoires

A professional self-portrait. This is my characterisation for the book with the title ‘The Framework of Corporate Insolvency Law’, written by Hamish Anderson. Hamish was a partner and now consultant of Norton Rose Fulbright LLP, and – since 2016 – a Honorary Professor at Nottingham Trent University. Anderson and (now) Lord Justice David Richards (I take from his Foreword to the book) started practice in the same period (I guess in the late 70s) when English insolvency law was a patchwork of primary and secondary legislation and cases, and Anderson belonged (as he writes in the Preface) to a generation of insolvency lawyers which were largely self-taught.
Anderson has set out to write a book that he wished he had had to hand when he started his journey. To take away any uncertainty, I think he past his self-imposed task gloriously. Practitioners as well as scholars will not be disappointed with the meal served by the author. He typically looks at themes and matters in a more functional, practical way, which Anderson deals with in 22 Chapters. In doing so, it strikes, that the author focuses throughout on understanding the purpose and the function of a certain rule, and he provides a demonstration how that understanding might guide or form an impulse for future developments. From a non-UK angle, I will make a few remarks.

The scene is set by chapters 2 to 5, with topics such as the functions and objectives of insolvency law, the concept of insolvency proceedings, the meaning of insolvency and the ‘modern patchwork’ of sources of English corporate insolvency law, ie the Insolvency Act 1986, the Company Directors Disqualification Act, its secondary and other domestic legislation, ‘common law’, ‘equitable principles’ and European law. The author treats the latter (mainly the EU Insolvency Regulation, constantly but mysteriously referring to  ‘Regulations’ in plural) as a source of English law, as European law has an overriding effect (save for section 426). I would add as distinctive feature that this part of the law follows its own interpretation rules, guided by the CJEU, according to which certain terms will sometimes get an autonomous interpretation, and, when applying the Regulation, a purposive interpretation is much more relevant than for instance a more historic or systematic one.

With the rules of allocating a larger set of procedural solutions in the UK, in which loss is allocated to all stakeholders, I agree with Anderson, that it is doubtful whether the classical divide between legal systems as being ‘creditor-friendly’ or ‘debtor-friendly’ serves a useful purpose any longer. Indeed, changing economic conditions and social attitudes may shift the balance between the rights of the creditors, of the debtor and the interests of the society at large, in which a business rescue tendency might produce certain limitations to the unbridled freedom to exercise individual creditors rights, and bring these for instance in balance with the rights of the creditors as a whole and a country’s policy to support restructuring and rescue attempts.  

Chapters 6 to 10 consider the English corporate insolvency proceedings available under the Act (liquidation, administration and company voluntary arrangements), including ‘the rise and fall’ of administrative receivership, taking away steering mechanism to influence the conduct of administration via a bank holding a qualifying floating charge. At that time, we heard loud shouts from banks predicting doom on the provision of credit! It turned out better, to the detriment of a bank’s reputation to reliably predict the development of a market. Well-known in Europe are schemes of arrangement, however – as Anderson explains – these are no insolvency proceedings; they have their basis in the Companies Act and can be initiated without a requirement of being insolvent or even anticipated insolvency. Schemes have become popular since the early 2000s as a means of restructuring the claims of finance creditors of both English and non-English companies, especially when these companies have no trade creditors, rather act as finance vehicles within a group structure, and the underlying business is carried out by separate operating subsidiary companies. Anderson contrasts in detail Schemes and CVAs. One of these differences is the rather unsettled use of a Scheme (also after Apcoa and Codere) in respect of jurisdiction and, consequentially, the recognition of an English Scheme elsewhere. New to the string of cases is Re Algeco Schotsman PIK S.A. [2017] EWHC 2236 (Ch), concerning a Luxembourg company, ‘… an example, if one has to use the phrase, of “good forum shopping”’, Hildyard J said. The author furthermore paints the future in the light of the Review of the Corporate Insolvency Framework, a report issued in 2016 by the Insolvency Service, and the ‘judicial construct’ of insolvency proceedings as a creditors’ rights class remedy.
   
Chapters 11 to 13 turn the focus on insolvency office-holders, the ‘inherent’ jurisdiction of the English court over ‘officers of the court’, and the regulation of insolvency practice. There are many characteristics of insolvency officeholders, including (as explicitly in Germany) the personal nature of an insolvency appointment, the fiduciary nature of the officer’s role and the officer’s interactions with the court. The rule in Ex Parte James, a 1874 case, is explained, which means that an office-holder acting as an officer of the court is not allowed to pursue a course of conduct or take advantage of a technical position in law, where it would be dishonourable to do so. From this it follows that Article 36 EU Insolvency Regulation Recast, the unilateral undertaking of a main insolvency practitioner to foreign creditors as if secondary proceedings had been opened (synthetic secondary), is a European concept in its own right and not substituting the English rule, as developed in Nortel Network and Collins & Aikman. With ‘Insolvency practice is highly regulated’, the author begins an overview of the specific organisation of the regulation of insolvency practice, a mix of government control (and within it the Insolvency Service), the licensing of around 1650 IPs by (now 5) recognised professional bodies (RPBs), responsible for ensuring the IPs compliance with the law and practice standards. I agree with Anderson that regulation is needed as the day-to-day conduct of insolvency proceedings is in the hand of IPs who are trying to align sometimes contrasting interests. The English complaints procedure, both with regard to IPs as well as the services of the Insolvency Service, can stand out as a true benchmark for professional behaviour.  

In Chapters 14 and 15, the meaning of ‘property’ (as the basis of the insolvency estate) is extensively explained, whilst the ‘reconstitution’ of the estate (the Dutch and the French call it ‘reconstruction’) leads Anderson to a creative categorisation of transaction avoidance remedies in three separate groups: retentive, restorative and dispositive avoidance. A practical assessment continues by the necessity for an office-holder to fully understand the debtor’s property, business and affairs and the provisions in the Act that support office-holders (and do not apply to CVAs). They relate to duties to cooperate, powers to (public, and more important private) examination, the role of the privilege against self-incrimination and legal professional privilege. Anderson observes that most insolvencies result ‘… from a degree of culpable mismanagement’, subsequently explaining all type of offences and the potential tensions in the co-operation of an office-holder with prosecuting and regulatory authorities, a paragraph Dutch office-holders may consider to read, after the July 1 legislation has brought a duty to report fraud. These paragraphs conclude with subjects that provide a good insight into fraudulent and wrongful trading and the English 30+ years system of disqualification of company directors.

Under the heading ‘Phoenixism and Pre-Packing’ Anderson examines controversial phenomena, that came to Europe more recently from across the Channel. Here the inherent tension between opposite interests: the insolvency office holder’s duty to maximise realisation (obtaining the ‘best’ and the ‘proper’ price, ie market value) and the policy of taking appropriate steps to achieve this, including disposal to connected parties and sufficient transparency, and the Statement of Insolvency Practice (SIP 13) are reviewed, as well as the pre-pack, the role of the court and SIP 16, and the Graham Review (‘big questions’, the author acknowledges). He concludes that the logic model of administration in the Act no longer meets the commercial needs of stakeholders. Anderson states that the present solution in a new paragraph 60A, under which the Secretary of State has the power to make regulation to prohibit sales to connected persons in certain circumstances is not radical enough. Stricter rules will be necessary to give creditors more confidence in the whole process. Anderson now should have time, based on his experiences, to develop his proposals for further discussion.

Chapters 19 to 21 related to the distribution of the estate, the concept of priority of expenses including their priority and the ranking of creditors. The drivers of distribution are legislative rules as well as practical policies. With a final chapter on cross-border insolvency, explaining the ‘characteristic Anglo-Saxon cocktail of measures’ in this field (Insolvency Act; 2006 Regulations, common law, EU Insolvency Regulation) the book ends. The practical application of these rules, Anderson must have experienced personally, lead to ‘… a form of legal archaeology in which the practitioner digs through successive layers of law in search of a solution’. He describes the high-water mark of modified universalism in Re HIH and the retreat from Cambridge Gas to Rubin v Eurofinance SA (the battle between Lord Hoffmann’s ‘… principle of (modified) universalism, which has been the golden thread running through English cross-border insolvency law since the 18th century’ and Lord Collins’ retort, that it is ‘only a trend’). Indeed, judicial communication and cooperation is a rapidly developing field, as Anderson observes. The JIN Guidelines, he shortly refers to, if fact already have been integrated in London procedural practice, see http://www.bobwessels.nl/blog/2017-10-doc3-chancery-guide-amended/.

A long career as a practitioner allowed Anderson to invite the reader to look into his mirror, a journey of some 40 years as a professional. Many of the tourist tips he gives may be of use for continental practitioners as well as inspirational for scholars. They should take account of the broad and thorough explanations given during the critical examination of modern English corporate insolvency law.

Hamish Anderson, The Framework of Corporate Insolvency Law, Oxford University Press 2017, 304 pp. ISBN 978 0 19 880531 1

Ordering information
https://global.oup.com/academic/product/the-framework-of-corporate-insolvency-law-9780198805311?cc=nl&lang=en&#
 
Note: this book I received free of charge from the publisher with the request to announce it or to review it on my blog at www.bobwessels.nl.

2017-12-doc1 Hoge Raad moet niet naar conclusie PG verwijzen

Met cassatie-advocaat M.E. Bruning was ik enkele dagen geleden in discussie over de reikwijdte van HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:3054). Bruning spreekt van een nieuwe vorm van onderbouwing van rechtsoordelen in cassatie met verwijzingen naar uitspraken van andere hoogste rechtscolleges ('judicial dialogue') en hij geeft aan dat de Hoge Raad nu ook expliciet verwijst '... naar voor de rechtsvragen gezaghebbende vakliteratuur en op websites te raadplegen adviezen. Transparante rechtsvinding!'. Hiertegen bracht ik vragenderwijs in: heeft de uitspraak niet alleen betrekking op de rechterlijke verplichting ambtshalve onderzoek te verrichten naar de immuniteit van jurisdictie van een niet in rechte verschijnende vreemde staat of internationale organisatie, en dat alleen voor zaken die ná 1 januari 2018 bij de Nederlandse rechter aanhangig worden gemaakt? Bruning's repliek: de bijzondere wijze waarop de Hoge Raad zijn rechtsoordelen motiveert om tot  deze koersverandering te komen, is '... nieuw en verdient lof. Abraham laat zien waar hij zijn mosterd haalt...'. Op mijn dupliek ('Ik zou een dergelijke wijze van motiveren ook voor het burgerlijk recht en het insolventierecht toejuichen, maar binnen de beperkte juridische setting van deze casus ('internationaal gewoonterecht'; art. 13a Wet AB) lijkt me dat vooralsnog wishful thinking'), reageerde Bruning met een nuance in die zin dat het een algemene beleidswijziging lijkt te kunnen zijn (die zijns inziens ook in andere grensoverschrijdende kwesties zoals internationale insolventierechtelijke vragen de Hoge Raad naar verwachting zal kunnen brengen tot doctrinaire onderbouwing van rechtsoordelen). Hij vervolgt dat in nationale kwesties de Hoge Raad incidenteel zich over bestaande controversen en onduidelijkheden gereageerd heeft op de vakliteratuur: 'Mijn inschatting is dat de civiele kamer dit niet steeds zal gaan doen; daarvoor lijkt een verwijzing naar beschouwingen in de conclusie PG meer in de rede liggen'.

Daar heb ik bedenkingen tegen, en ik herinner me nu dat ik deze heb gepubliceerd in een gecombineerde annotatie onder drie arresten (HR 30 november 2001, JOR 2002/43 (uitleg algemene voorwaarden), HR 7 december 2001, JOR 2002/44 (beroep op exoneratieclausule), HR 21 december 2001, JOR 2002/45 (beroep op exoneratieclausule), opgenomen onder JOR 2002/45, p. 403-406. Ik citeer twee onderdelen uit die noot, over de zaak van 21 december 2001:  

'In cassatie wordt erover geklaagd dat het Hof met een door hem gevolgde uitleg toestaat dat de exoneratieclausule (in de Algemene voorwaarden voor makelaars en beëdigde taxateurs in roerende goederen van de leden van de Nederlandse Organisatie van Makelaars, Veilinghouders en Beëdigde Taxateurs in roerende goederen en machinerieën) iedere aansprakelijkheid uitsluit, óók die voor opzet en grove schuld. A-G De Vries Lentsch geeft aan dat het Hof niet heeft geoordeeld dat ook in geval van opzet of grove schuld een beroep gedaan kan worden op een exoneratie-beding dat elke aansprakelijkheid uitsluit. Ik plaats een kanttekening bij dit arrest omdat mij de (volledige) beoordeling van de middelen door de Hoge Raad zo frappeert: ‘De middelen kunnen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense onder 8-13 niet tot cassatie leiden’. Dit is niet de in art. 101a RO (sedert 1 januari 2002: art. 81 RO) bedoeld verkorte uitspraak, maar het verwerpen van een cassatieberoep met verwijzing naar een stuk van het advies van een A-G. Hoe hierover te denken?
Beslist niet positief, zou ik menen. Een JOR-annotatie is niet de plaats hierop dieper in te gaan, maar er zijn verschillende bezwaren tegen deze wijze van motiveren aan te voeren. Laat ik een praktische bezwaar vooropstellen: je leest het arrest, maar je moet het advies van de A-G dan wel bij de hand hebben. Nu de RvdW niet meer de Conclusies afzonderlijk in een tijdschriftje op de markt brengt wordt dat wel erg lastig. [Dit bezwaar gold toen, nu met www.rechtspraak.nl natuurlijk niet, maar het maakt nog eens duidelijk hoe lastig het 'vroeger' was om goed je vak bij te houden]. Meer principieel acht ik deze wijze motiveren verwarrend (uit oogpunt van de trias politica), omdat een stuk van een onafhankelijk advies, gebaseerd op weloverwogen waardering van rechtspraak en literatuur, van het OM opeens verandert in (een motivering van een) rechtelijke uitspraak van een onafhankelijke rechter. Tegen deze wijze van recht doen pleiten derhalve aspecten van kenbaarheid en herkenbaarheid van recht. Voorts zou ik menen dat er een principieel verschil is tussen het steunen op iemands beste advies in een bepaalde zaak en de beslissing over die zaak. In die laatste geeft de cassatierechter een specifieke oordeel, met een daarop toegesneden motivering. De Hoge Raad doet zulks nog met een andere dimensie, in het bijzonder als het gaat op ‘vage normen’: om met inachtneming van zijn positie om leiding te geven aan de rechtsontwikkeling duidelijk de richting aan te geven waarmee lagere rechters voort kunnen en waarop de praktijk kan anticiperen. Nu wordt in casu naar de conclusie van de A-G verwezen ‘onder 8-13’. Randnummer 9 heeft betrekking op uitleg van kwestie A, nr. 10 uitleg van kwestie B (met de toevoeging dat de A-G die uitleg niet onbegrijpelijk vindt), nr. 12 over de verhouding tussen een geformuleerde exoneratie en de mogelijke uitsluiting bij opzet en grove schuld, en nr. 13 over reflexwerking en art. 6:237 sub f BW. Is de Hoge Raad het nu met deze vier onderdelen geheel en onvoorwaardelijk eens? Zou hij (nr. 9) ook zo indringend uitleggen als de A-G heeft gedaan? Zou de Hoge Raad meegaan met de – kennelijke – gedachte van de A-G (nr. 10) dat het Hof het beding zou hebben vernietigd indien daarin expliciet voor opzet en grove schuld zou zijn uitgesloten en betekent dit dan dat de Hoge Raad geen enkele plaats ziet voor toepassing van het beding in een geval waarin schade niet door opzet of grove schuld is veroorzaakt (en dus een mogelijke toepasselijkheid van  partiële nietigheid ex art. 3:41 BW uitsluitend)?'
Kortom, de HR zou niet naar de conclusie van een PG moeten verwijzen.