Search

Follow me

RSS feed

Archive

2019   2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog 2016

2016-09-doc11 ELI Business rescue in Cascais, Portugal

 

sam_4341_Last week, in Cascais, Portugal, the INSOL Europe Academic Forum met. The Business Rescue in Insolvency Law project team of the European Law Institute was present with two research assistents, Dr Samantha Renssen, Maasticht University (presenting progress in a comparative study of corporate dissolution) and Gert-Jan Boon, Leiden Law School (adressing the who and why of 'stakeholders' involved in the European Commission's work in developing rules for the harmonisation of matters of restructuring and insolvency in the EU). Prof. Stephan Madaus (University of Halle-Wittenberg) and I (emeritus Leiden) presented parts of our draft report on Business rescue. Participants in very valuable discussions included prof. Ignacio Tirado (Madrid), prof. Christoph Paulus (Berlin), Paulo Castagna (UniCredit Bank, Germany), prof. Rolef de Weijs (Amsterdam Univ), prof. Reinout Vriesendorp (De Brauw; Leiden Law School) and Grant Jones (Simmons Gainsford Gibraltar LLP). Fueled with these commentaries (see also this blog at 2016-09-doc9) it is our intention to finalise our report in the coming six months. See for the persons mentioned this picture

 

2016-09-doc9 Business rescue at ELI's Annual Conference

The European Law Institute (ELI) 2016 Annual Conference took place in Ferrara, Italy, from 7 to 9 September 2016, hosted by the Faculty of Law of the University of Ferrara. Some 100 ELI members and external participants had the opportunity to discuss the most topical legal issues in the European landscape for two full days. Panel sessions were devoted, among many other topics, to insolvency law. My co-reporter prof. Stephan Madaus and I led a full morning discussion on several draft texts of our project Rescue of Business in Insolvency Law. See http://www.europeanlawinstitute.eu/about-eli/structure/general-assembly/ga-2016/. On this site I see a picture flying along representing (in this order) Heinz Vallender (Executive Director of the Institute for International and European Insolvency Law, professor at the University of Cologne, retired judge at the District Court of Cologne, heading the Insolvency Department), then Stephan and me (standing), followed by Mr Arno Metzler is since 2002 member of the European Economic and Social Committee and currently the vice president of a group giving voice to the concerns of the various social, occupational and economic organisations generally and to the liberal professions and SMEs in particular. In 2014 he was rapporteur of the Opinion of the Economic and Social Committee on the role and future of the liberal professions in European civil society 2020, and Matthias Storme, professor at the Catholic University of Leuven and professor at the University of Antwerp. He teaches Belgian, European and international civil and commercial law (especially insolvency law). He is a lawyer at the Brussels bar and one of the founding fathers of the European Law Institute. We received many supporting and critical comments, which we will consider during the coming six months when we intend to finalise our report. We as reporters were also 'youtubed', but I have not seen any evidence of that.

2016-10-doc7 Book reviews EIR Recast

Recently published in European Company Law (no. 4, 2016) my review of two recent books on the EU Insolvecy Regulation (recast): Reinhard Bork and Renato Mangano, European Cross-border Insolvency Law, and Gabriel Moss, Ian F. Fletcher and Stuart Isaacs (eds.), The EU Regulation on Insolvency Proceedings, 3rd. ed, both published by Oxford University Press 2016. See eucl_wessels_13-4

2016-09-doc8 Tuesday 27 September PhD defense re Chinese international insolvency law

Tuesday 27, at 3 pm, Xinyi Gong will defend her PhD ‘A Balanced Way for China’s Inter-Regional Cross-Border Insolvency Cooperation'. Her research analyses the rather peculiar situation that the People’s Republic of China is one ‘State’, however within that entity four regions have their own form of sovereignty (Mainland China, Taiwan, Macao, Hong Kong) in such a way that insolvency judgements have to be recognised in the other region where it should have effect. Miss Gong’s dissertation is about seeking solutions to establish and/or improve China’s inter-regional cross-border insolvency cooperation. See also http://bobwessels.nl/2016/08/2016-08-doc9-phd-defense-ms-x-gong/. Interested audience is welcome in the Academy building, Rapenburg, Leiden (see in Dutch https://www.universiteitleiden.nl/agenda/2016/09/a-balanced-way-for-china%E2%80%99s-inter-regional-cross-border-insolvency-cooperation).

2016-09-doc10 Raadsheer-plv Hof Den Haag; enkele herinneringen

Raadsheer-plaatsvervanger Gerechtshof Den Haag; enkele herinneringen, door Bob Wessels, professor emeritus Internationaal insolventierecht Universiteit van Leiden; Raadsheer-plaatsvervanger Gerechtshof Den Haag (1988-2016) ‘Shall we meet at 9 a.m. in front of the hotel?’, vroeg ik begin dit jaar aan een bevriende Italiaanse rechter. We waren uitgenodigd om the spreken over communicatie en samenwerking tussen rechters die in verschillende landen moeten oordelen over herstructurerigen en insolventies. ‘Unfortunately I can not join you. We’re in Italy you know and I am under costant police protection. They will bring me by car and I will see you there!’ En het was maar 200 meter lopen! Dat ligt in Nederland gelukkig wel anders. Rechters gaan ook per fiets of per trein naar hun werk. Ik gebruikte altijd de trein, vanuit Dordrecht, waar ik sedert een jaar vóór mijn ‘aanwijzing’ in 1988 als raadsheer-plaatsvervanger bij het ‘Gerechtshof te ’s-Gravenhage’ woon. De president waarbij ik in 1988 mijn opwachting maakte, mr M.J. Heikens, heeft mij toen geïnstalleerd. Overigens, ik was 39, maar toch nog wel ‘vrij jong voor een raadsheer’, zei mr H.E. Ras, president van de Hoge Raad, toen ik de voorgeschreven eed aflegde. Hij herhaalde daarmee de woorden van mr Clarien van der Beek (Dordtenaar, lid van de Haagse Belastingkamer, bij wie ik een handje ging geven). Tijden veranderen. Ik was toen 3 a 4 dagen per week in Amsterdam waar ik werkzaam was als hoogleraar Burgerlijk recht en Handelsrecht aan de VU Amsterdam. Hoezo dan Den Haag? Dat hield verband met mijn onderzoeksbelangstelling, waaronder de wisselwerkingen tussen civielrechtelijke en fiscale begrippen. In die tijd was het hof in de praktijk het eindstation van belastingzaken. Mijn eerste jaren waren dan ook desverzocht in de Belastingkamer, een fenomeen dat dacht ik ruim tien jaar geleden bij de bestuursrechtspraak is ondergebracht. Veel belastingplichtigen procedeerden tegen de Staat (het Ministerie van Financiën in Den Haag), dus er kwamen principiële en complexe zaken langs, die ook mijn onderzoeksgebied weerspiegelden, zoals uitleg van de begrippen ‘levering’, ‘kerkgenootschap’, ‘leasing’, ‘natuurlijke verbintenis’ (mijn proefschriftonderwerp), maar ook het tijdstip waarop een investeringsovereenkomst is gesloten (dat moest vóór, ik meen, 1 maart 1988 zijn in verband met de opheffing van de WIR, de Wet Investeringspremie). Het ministerie werd vertegenwoordigd door relatief sjofel geklede fiscalisten, en zaken gingen vaak over de stand van het recht van enkele jaren daarvóór (omdat in beroep werd gegaan tegen een aanslag van dat specifieke jaar in het verleden). Mij staat bij dat ik bij zo’n zes tot tien zaken per jaar betrokken was tot eind vorige eeuw toen ik bijna drie jaar voor werk in het buitenland was. Daarna heb ik civiele zaken gedaan, sedert 2010 in ‘teamstructuur’, in het bijzonder insolventie, vervoer, vennootschapsrecht (MC-2 onder voorzitterschap van mr J.M. van der Klooster, ook Dordtenaar). Als plaatsvervanger wilde ik geen ‘togavuller’ zijn, maar volop meedoen met het te wijzen arrest. In de Belastingkamer werden concepten nog met de gewone post rondgestuurd. Mijn opmerkingen in de marge werden soms niet in dank afgenomen (niet vanwege de inhoud, maar omdat zij met een rode pen waren gemaakt, ‘… dat vinden we vervelend’). In die tijd werden de eerste stappen naar automatisering gezet, waarbij in de beschrijving van de feiten of de opstap naar het dictum met ‘tekstblokken’ werd gewerkt. Daarna natuurlijk ontwerp stukken via e-mail, met aanbrengen van ‘track changes’ rondgezonden, met soms daarop volgende e-mailcorrespondentie of een telefoontje. De werkwijze is door de jaren heen weinig gewijzigd. Als plaatsvervanger krijg je, nadat je een aantal maanden daarvoor bent gepolst over beschikbaarheid, de stukken enkele dagen voor de zitting toegezonden. Twee keer is het voorgekomen (natuurlijk net in lastige insolventiezaken) dat ik niet vrij stond, omdat ik een der belanghebbenden had geadviseerd. Dat is agenda-technisch onhandig. Daarom dient daarover in een zo vroeg mogelijk stadium afstemming plaats te vinden (‘Staat u vrij in een zaak van X tegen Y’?)?, hetgeen de laatste jaren geschiedt via het geautomatiseerde cliëntenbestand. Dan met de trein voor een zitting naar Den Haag. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Het gebouw aan de Prins Clauslaan is voor iemand die er maar een paar keer per jaar komt een labyrint: ingang zoeken, pasje tonen, ta screenen, toga halen in kamer 1, collega raadsheer in kamer 2, zitting elders, overal bij tussendeuren met de sedert 2011 in gebruik zijnde ‘rijkspas’ zwaaien. Een plaatsvervanger heeft vaak ook een of twee andere ‘passen’ in verband met andere (hoofd)werkzaamheden. Meer in het algemeen kleeft aan het plaatsvervangerschap nogal wat red tape, bijvoorbeeld de regeling nevenfuncties (geformaliseerd in 2012, voor elke nevenbetrekking een afzonderlijk formulier). Nu had ik er (hoogleraar voor 1 dag in de week, directeur ener advies-BV, gehonoreerd bestuurswerk, adviseurschappen, redactiewerk etc) nogal wat en deze publiceerde ik sedert 2010 op eigen initatief ook al op mijn eigen blog (omdat de Universiteit Leiden toen een vergelijkbare regeling invoerde). Kortom, voor die enkele zaken die je als plaatsvervanger doet, moet je echt doorbijten voor je tot de inhoud van een zaak komt. Maar dat is het dan ook waard. Wat viel me zoal op de laatste jaren? Het is natuurlijk maar een heel beperkte selectie, maar een indruk die achterblijft is dat nogal wat advocaten een weinig geordend appel indienen, met wel heel uitvoerige, elkaar soms overlappende grieven, met bijlagen die soms een ongelukkige greep uit het dossier waren, soms miste ik de uitspraak van de rechtbank, waartegen beroep, terwijl deze in andere zaken soms wel drie keer als bijlage werd bijgevoegd. Verder lijken zij bij de zitting tamelijk onvoorbereid. Zij ‘pleiten’ niet, maar lezen meestal zittend te lange stukken voor (alsof de raadsheren de zaak niet kennen), waarbij zij er ook niet zelden in slagen geïnteresseerdheid in zaak of rechtsvraag te verbergen. In de zittingen die ik meemaakte waren de raadsheren goed voorbereid, zowel in de zaak als het toepasselijke recht (hetgeen ook naar voren kwam bij het raadkameren). Behulpzaam hierbij is een sjabloon dat ervan uitgaat dat tal van formele en inhoudelijke vragen worden gesteld. Dat was vooral zo in schuldsaneringszaken. Desverzocht heb ik een 30-tal van dit soort zaken gedaan, om zelf beter deze problematiek en de formele gang van zaken eromheen te begrijpen, hetgeen te stade kan komen aan mijn publikaties op dat terrein. Raadkameren ging meestal vrij snel, vaak met het resultaat van een duidelijke uitspraak dan wel een oplossingsrichting die dan later (in ‘verlengde’ raadskamer, als ik op mijn eigen kantoor was) werd voortgezet. Het voordeel van rechterlijk werk is dat je beslissingsgericht werkt. In de wetenschap worden soms nog extra overwegingen toegevoegd, maar deze behoeven niet altijd nuttig te zijn voor de motivering van de uitspraak of het begrip daarvan bij partijen. Ik heb eigenlijk alleen maar een keer ‘cassatie-angst’ meegemaakt, de neiging om in het arrest een feitelijke formulering op te nemen om de uitspraak cassatie-proof te maken. Als je een zaak goed voorbereid en zorgvuldig de uitspraak motiveert is deze vrees onnodig. Ook een raadsheer kan niet meer doen dan zijn best. Overigens is het mij daarbij opgevallen hoe snel en goed het secretariaat van de handelskamers concepten maakte. Na de zitting en het raadkameren, meestal aan het eind van de ochtend, weer in de trein terug of door naar ander werk. Vanaf september 2016 echter niet meer, na op eigen verzoek gekregen eervol ontslag. Er is na 28 jaar plaatsvervangerschap ook ruimte voor andere activiteiten, hoewel ik natuurlijk wel een Hof Den Haag watcher blijf!