Search

Follow me

RSS feed

Archive

2019   2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog

2019-03-doc12 Insolvency practitioners and Privacy codes

In our recent publication 'Cross-Border Cooperation and Communication: How to Comply with Data Protection Rules in Matters of Insolvency and Restructuring', in: 16 International Corporate Rescue 2019, 98ff (published by Chase Cambria Publishing, www.chasecambria.com), Ilya Kokorin and I conclude in the following way (leaving out the footnotes):
"Insolvency practitioners – Codes of conduct
Insolvency practitioners, when processing (collecting, recording, storing, using, disclosing or transmitting) personal data and in particular special categories of personal data, should be acquainted with the GDPR and fully comply with it. Failure to do so may trigger large fines of up to EUR 20 million (Article 83(5) GDPR). Compliance with the rules and principles of data protection ensures processing that is lawful, fair and transparent, limited in purpose and scope, accurate, carried out for only as long as necessary, secure, confidential and accountable (Article 5 GDPR). Recitals 167 and 168 GDPR confer specific powers on the EC to ensure uniform conditions for the implementation of the GDPR. Recital 167 suggests that in that context, the EC should consider specific measures for micro, small and medium-sized enterprises. Recital 168 provides that an examination procedure should be used for the adoption of implementing acts on standard contractual clauses between controllers and processors and between processors; codes of conduct; technical standards and mechanisms for certification; the adequate level of protection afforded by a third country, a territory or a specified sector within that third country, or an international organisation; standard protection clauses; formats and procedures for the exchange of information by electronic means between controllers, processors and supervisory authorities for binding corporate rules; mutual assistance; and arrangements for the exchange of information by electronic means between supervisory authorities, and between supervisory authorities and the Board.
Related to this long list, Article 40 GDPR (with 11 subparagraphs) foresees the development of codes of conduct. The Member States, the supervisory authorities, the European Data Protection Board and the EC shall encourage ‘the drawing up of codes of conduct intended to contribute to the proper application of this Regulation, taking account of the specific features of the various processing sectors and the specific needs of micro, small and medium-sized enterprises’. Article 40(2) GDPR calls for associations and other bodies representing categories of controllers or processors. They may prepare codes of conduct, or amend or extend such codes, for the purpose of specifying the application of the GDPR. In essence, codes of conduct are similar to practical guides providing easily understandable interpretation of the abstract rules of the GDPR. In the world of restructuring and insolvency, national associations of turnaround managers, IPs, accountants and insolvency lawyers, as well as representative bodies, such as INSOL Europe should step forward. Data protection is certainly worth the effort and will play even bigger role in the future, with the full functioning of national insolvency registers and the establishment of a centralised search engine via the European e-Justice portal in mid-2019. Capital structures of companies in the 21st century will be starkly different from those of the past century. Once driven by hard assets, such as real estate, natural resources and machinery, modern businesses become highly dependent and valued on the basis of intangible assets – claims, licenses, know-how and goodwill. Increased value of data (e.g. customers’ databases) in debtors’ insolvency estates together with the expansive process of digitisation and data collection (big data) bring data protection issues to the forefront of legal and insolvency practice."

2019-03-doc11 Sterfhuiscontructie: paulianeus of te redden met clausules inzake herrekening of nabetaling?

Dit is de zesde en laatste uitnodiging (zie http://www.bobwessels.nl/blog/2019-02-doc7-bijdragen-aan-mijn-serie-insolventierecht/) om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht III, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Diverse commentaren heb ik met genoegen verwerkt, uiteraard onder vermelding van de naam van de auteur die reageeerde. Mijn dank daarvoor. De kopij gaat deze week naar de uitgever. verwachte verschijningsdatum: juni 2019. Dit keer het volgende onderwerp:

[...]

§ VI.2. Sterfhuisconstructies

3284 Varianten voor ondernemingscontinuïteit. De laatste drie decennia is op diverse wijzen gepoogd de continuïteit van een groep van financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden ondernemingen respectievelijk een concern voor dreigende discontinuïteit, in het bijzonder financiële ondergang, te behoeden. Diverse reorganisatie- en saneringsvarianten zijn daartoe in de praktijk ontwikkeld, waarbij de laatste als alternatief voor een surseance of een faillissement zijn toegepast. Sprekende voorbeelden daarvan zijn OGEM, Nederlandsche Heidemaatschappij, HCS Technology en Air Holland. Alle varianten hebben gemeen de aanvaarding en uitvoering van een pakket samenhangende maatregelen, in het bijzonder van vennootschapsrechtelijke en vermogensrechtelijke aard, dat ingrijpt in de vennootschapsrechtelijke structuur van (de groep van) vennootschappen met het oog op de continuering van (een deel van) de door deze gedreven onderneming(en).

3285 Rechtspraak en literatuur. Het voert in het kader van dit werk te ver dergelijke constructies uitvoerig uiteen te zetten. Zie nader Slagter (2011), p. 26 e.v. Een sterfhuisconstructie is de benaming voor de afsplitsing door middel van een verkooptransactie van de aandelen van een aantal goed renderende (‘witte’) vennootschappen uit de gehele groep, waarna in de laatste alleen de financieel noodlijdende (‘zwarte’) vennootschappen verblijven, en dit achtergebleven deel (het ‘sterfhuis’) failleert. De ziekenhuisconstructie komt in hoofdlijnen neer op het onaangetast laten van de bestaande concernstructuur, maar daarbinnen een scheiding aan te brengen tussen gezonde en noodlijdende ondernemingen. Wil de constructie slaagkans hebben, dan dienen alle belanghebbenden ten dele hun recht prijs te geven: (a) de aandeelhouders door afstempeling van hun aandelen (opdat deze de werkelijke waarde van de onderneming reflecteren; in de Air Holland-zaak vond afstempeling tot 1% van de waarde plaats), (b) de schuldeisers door hun toetreden tot een (dwang)akkoord (in de Air Holland-zaak ontvingen de schuldeisers minder dan 10%), (c) de banken door conversie van hun vorderingen in aandelenkapitaal. De constructie steunt derhalve op instemming van alle betrokkenen.
Zie voor algemene aspecten van financiële herstructurering voorts De Serière (1994), p. 71 e.v., en bijdragen in: Van Solinge e.a., Herstucturering van ondernemingen in financiële moeilijkheden, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, Deel 123, Deventer: Wolters Kluwer 2013. Over de problematiek van een sterfhuis- en ziekenhuisconstructie (soms ook wel overlevings-, uitvaart- of verhuisconstructie genoemd dan wel leveraged buy out) zie de navolgende literatuur, sommige met uitvoerige case-beschrijvingen ontleend aan faillissementsverslagen van de respectieve curatoren, met verwijzingen naar oudere literatuur, de vierde druk van het onderhavige Wessels Insolventierecht IV 2013/3285;  Soedira, diss. (2011), p. 39 e.v.; Bartman/Dorresteijn/Olaerts (2016), p. 22 e.v., en p. 64 e.v.; Van Oostrum, diss. (2019), p. 135 e.v.; Van den Berg, diss. (2019), par. 9.1.

3286 Voorkomen c.q. redresseren paulianeus karakter. Op het eerste gezicht lijken genoemde constructies benadelend voor schuldeisers (onder wie werknemers) en aandeelhouders. Door zorgvuldige planning van de financieringsstromen en zorgvuldige redigering van de juridische documentatie kan het mogelijk paulianeuze karakter van een dergelijk samenstel van maatregelen worden voorkomen.

3287 Benadeling. Indien de sterfhuisconstructie betrekking heeft op de aandelen in een aantal ‘witte’ vennootschappen, wordt de koopsom daarvoor door de (soms: speciaal daartoe opgerichte) overnemende koper (stichting; vennootschap; ‘SPV’: special purpose vehicle) geleend van de bank die het noodlijdende concern financierde. De koopsomvordering wordt aan de bank gecedeerd, waardoor deze rechthebbende is op een vordering ter hoogte van de koopsom van de aandelen. Deze vordering wordt door de schuldenaar (de overnemer) voldaan met het eerder geleende geld. Het pauliana-gevaar schuilt in het resultaat van deze opzet: de schuld van het noodlijdende concern (sterfhuis) bij de bank vermindert; de positie van de bank wordt versterkt doordat zij een vordering op de nieuwe vennootschap verkrijgt. Benadeling valt echter lastig aan te tonen indien een reële waarde voor de aandelen wordt betaald, maar uitgesloten is zij niet, zie HR 22 mei 1992, NJ 1992/526 (Montana), waarover par. 3098, en Rb.’s-Gravenhage 17 oktober 2001, JOR 2002/144, nt. Van Hees.

3287a. Contractuele herrekenings- of nabetalingsclausule. In de praktijk wordt getracht toepassing van het benadelingscriterium te voorkomen door de prijs van de verkoop vast te stellen op een voorlopige koopsom, met aanvullingen daarop op basis van een definitief vastgestelde koopsom, die bijvoorbeeld drie jaar later op grondslag van een onafhankelijke waardering wordt vastgesteld. Met een dergelijke contractuele herrekenings- of nabetalingsclausule wordt bereikt dat de prijs reëel is en niet beïnvloed is door het faillissement van het sterfhuis. Een dergelijke nabetalingsclausule kan ook worden overeengekomen in het geval er onzekerheid bestaat over de vraag of de prijs wel de reële waarde van het gekochte reflecteert, zie Van den Berg, diss. (2019), par. 9.2.
Indien de aandelen zijn verpand aan de bank en de bank is bereid afstand van haar pandrecht te doen onder voorwaarde van ontvangst van de opbrengst van de aandelen, kan geen benadeling worden aangenomen, aangezien (achterblijvende) schuldeisers niet de pauliana kunnen inroepen in een geval waarin hun geen nadeel wordt toegebracht maar slechts een voordeel ontgaat, vergelijk Ophof, in: Sanering en herstructurering, hfdst. 7-495; Slagter, TVVS 1983, p. 28. Vergelijk HR 22 maart 1991, NJ 1992/214, nt. PvS; AA 1992, p. 290 e.v., nt. Kortmann, waarover par. 3098; Rank, Bb 1991, p. 90 e.v.; Winter, diss. (1992), p. 238 e.v. Zie tevens Oostwouder, diss. (1996), p. 383, die ook ingaat op de vaststellingsovereenkomst die tussen de concernvennootschappen wordt aangegaan, inhoudende een aanvulling op de koopsom te betalen aan de curator van de gefailleerde vennootschappen, teneinde de laatsten hun regresrechten jegens de nieuwe groep te ontnemen. Over het op voorhand voorkomen van regresaanspraken, op te nemen in de hoofdelijke aansprakelijkstelling: Winter, diss. (1992), p. 47 e.v. en p. 217 e.v.
Een van de bezwaren tegen de sterfhuisconstructie is dat de oude (achtergebleven) aandeelhouders niet meedelen in de toekomstige winsten van de nieuwe groep; een ziekenhuisconstructie kan aan dit bezwaar tegemoetkomen, maar daarbij geldt dat veelal de tussen de onderling verbonden vennootschappen aanwezige onderlinge regresrechten blijven bestaan. Prima facie lijkt het resultaat van een sterfhuisconstructie benadeling op te leveren: de ‘nieuwe’ groep kan een groot deel van de bedrijfsactiviteiten continueren; in de ‘oude’ groep zijn schuldeisers en aandeelhouders achtergebleven. Afgezien van meer omvangrijke wetsvoorstellen tot verbetering van het Nederlandse concernrecht of omtrent de specifieke bescherming van bepaalde belanghebbenden (zie de wetgeving inzake splitsing, par. 3288 e.v.), dient een mogelijk paulianeus karakter van een dergelijke constructie door zorgvuldige planning van de financieringsstromen en redigering van de juridische documentatie te worden voorkomen. Vergelijk Rb. Utrecht 10 mei 2006, TvI-N 2006, p. 40 e.v. (vervolg op tussenvonnis van Rb. Utrecht 24 augustus 2005, JOR 2006/134), oordelend dat indien in een (activa-)overeenkomst een clausule wordt opgenomen die verplicht tot nabetaling wanneer blijkt dat de koopprijs te laag is, benadeling niet kan worden aangenomen. Kennelijk anders: Abendroth, Ondernemingsrecht 2009-5/53, die een dergelijke clausule zinloos acht.  
Ik gaf in par. 3102b al aan dat ik meen dat een nabetalingsclausule de benadeling (rechtens) kan opheffen. Abendroth is dan ook terecht bestreden door Vermunt, annotatie onder Rb. Oost-Brabant (vzr.) 5 november 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6666; JOR 2015/120. Andere rechtspraak over nabetalingsclausules: Hof ‘s-Hertogenbosch 2 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:296; JOR 2016/143, nt. Vermunt; Rb. Oost-Brabant 29 april 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2173; RI 2016/79. Hierover uitvoerig de beschouwing van Mulder (2017), p. 38 e.v. en voorts Van den Berg, diss. (2019), par. 9.2, die tevens uit de literatuur de conclusie trekt dat van benadeling geen sprake kan zijn indien de nabetalingsclausule ertoe leidt dat de verkoop tegen uiteindelijk een reële prijs plaatsvindt, de gezamenlijke schuldeisers niet anderszins benadeeld worden en de opbrengst uiteindelijk voor de gezamenlijke crediteuren beschikbaar komt.

[...]

2019-03-doc9 A reply to professor De Weijs et al.

On 22 March 2019 I wrote a reply to professor De Weijs and two colleagues, to their letter, dated 20 March 2019, to the European Parliament (EP). The letter is available at https://drive.google.com/open?id=1l4Xeljvi2LjarI5aR6c7DBUv3YX2OlNa. In the letter these scholars heavily criticize the introduction of a Relative Priority Rule (RPR) as currently proposed in the draft Directive on preventive restructuring frameworks. Professor De Weijs et al argue that the introduction of an RPR in the EU, as an alternative to the Absolute Priority Rule (APR), would amount to a 'Teutonic shift within private law, company law and insolvency law’. The EP is advised against the to include such an RPR in the Directive.
In my reply, I explain that these scholars’ call should be set aside by the EP for at least five reasons: (i) there is quite some support for including an RPR in the Directive, (ii) they overestimate secured classes of creditors and underestimate European business realities, (iii) they fail to appreciate that a debtor (a business) under the proposed Directive is not insolvent, (iv) they engage in a combat on one isolated aspect, missing the broader gamut of proposed rules and tools in the Directive, and (v) professor De Weijs et al misunderstand the economic heart of the Directive, which is not about insolvency law as we know it. I leave aside that I think it is rather naive to think, let alone just a few days before the EP's vote, that a message of a caste of academics, from one University only, will carry any weight. As the scholars acknowledge the academic debate on APR and RPR is still in its infancy shoes. It is not ripe to bother European politicians with it. RPR is an option in the Directive, and Member States can embrace it or just put in aside. 

2019-03-doc10 The full version of my reply to professor De Weijs et al

On my blog 2019-03--doc9 for some odd reason my full reply, as pdf, was not attached/visable. Therefor the cut & past full version follows below, with the footnotes at the end.

A reply to professor De Weijs et al.

22 March 2019, Dordrecht, The Netherlands, by Bob Wessels

(professor em. University of Leiden, The Netherlands).

In a letter, dated 20 March 2019, to the European Parliament (EP) (1) University of Amsterdam scholars R. de Weijs, A. Jonkers and M. Malakotipour, criticize heavily the introduction of a Relative Priority Rule (RPR) as currently proposed in the draft Directive on preventive restructuring frameworks (Directive) (2) Professor De Weijs et al argue that the introduction of an RPR in the EU, as an alternative to the Absolute Priority Rule (APR), would amount ‘… to a Teutonic shift within private law, company law and insolvency law’. These scholars suggest that the EP – when having their vote on 26 March 2019 – should decide not to include such an RPR in the Directive.

In their letter, the authors detail their argument by referring to academic research they have conducted (3) They invite further debate, as expressed in a Belgian law blog, and pull into the debate an article written in German by professor Madaus. (4)

Their public call cannot be left unanswered. (5)

These scholars’ call should be set aside by the EP for at least five reasons.

1. Support for RPR

To understand the dynamics of the proposed Directive, professor De Weijs at al refer on the Belgian blog to ‘two underlying reports of hundreds of pages’ and the fact that just a few pages that are devoted to Relative Priority. That’s insufficient to decide to include RPR in the Directive, they argue. They make a reference to the study by the European Insolvency Institute (ELI) in its Report on the Rescue of Business in Insolvency Law, including over 100 recommendations, written by prof. Madaus and me.(6)

The authors clearly have misunderstood the independency, the goal and the impact of this study, which was published in September 2017.

It has been written for ELI, an independent non-profit organisation in the field of European development. The Report’s goal is straightforward:

‘If the reports and the recommendations are formally approved by ELI, they can be commended for use by the European institutions active in this field, Member States, organisations and associations of turnaround managers, insolvency practitioners and judges, and other groups across Europe, in the meaning of the terms of our initial engagement.’(7)

With the approval of the ELI Council Madaus and I, as authors, have not integrated specific rules of the European Commission’s Proposal for a Directive on preventive restructuring. In the Report, the law as it is on 28 February 2017. The period between March 2017 and September 2017 was necessary for the adoption and finalisation of the Report, being subject to the process of discussion and approval by bodies within ELI.(8)

The text of the Report has been endorsed by 14 independent experts (judges, academics and practitioners) from nearly as many countries, and after a lengthy discussion was unanimously adopted during ELI’s General Assembly in September 2017 in Vienna.

As to the aspect of Relative Priority, particularly in the EU context, early Autumn 2018 the idea developed in the ELI Report has been supported in a joint study, called Best Practices in European Restructuring, written by professors from Italy, Germany, Spain and the UK.(9)

2. Overestimation of secured classes of creditors and underestimation of European business realities

Professor De Weijs et al are not fully accurate in their presentation of the APR-rule, isolated from other norms and tools proposed for business rescue, and present European business realities. They clearly seem to overlook the fact that most EU countries have more preferential creditors than secured classes. Such preferential creditors may include employees, revenue (tax) authorities (e.g. in the Netherlands), tort victims, environmental claims, etc. (10) Taking into account the rigidity of the APR and the large number of preferential creditors, the adoption of a restructuring plan, fully satisfying such creditors would be highly unlikely. Essentially, any ‘privileged’ class of creditors could frustrate (veto) an otherwise value-creating restructuring plan. Thus, enforcing the APR may encourage hold-out behaviour of these objecting  ‘privileged’ creditors.

May I add that APR has attracted criticism from its early days. The Commission tasked with reviewing the bankruptcy law in the USA, concluded that ‘…the rigidity of the [absolute priority] rule has frequently resulted in the destruction rather than the protection of interests of public investors. [These investors] are frequently eliminated from participation in a reorganization by reason of the strict application of a statute designed primarily for their protection.’ (11)

We argue that precisely because of this that the adoption of a more flexible and business-sensitive RPR is fully justified.

The legitimate interests of secured lenders are protected by a best interest test that guarantees that they will receive in a restructuring at least as much as they would be able to realize when enforcing their rights.

3. The debtor under the Directive

De Weijs et al fail to appreciate that a debtor (a business) under the proposed Directive is not insolvent. This follows directly from Article 1(a), stating that ‘[t]his Directive lays down rules on: preventive restructuring frameworks available for debtors in financial difficulty when there is a likelihood of insolvency [my italics] with a view to preventing the insolvency and ensuring the viability of the debtor.’ This is why applying the logic and rules of insolvency law, including the APR, is not justified. In the absence of insolvency, the arguments for changing the capital structure of the debtor (e.g. by wiping out shareholders and (as the case may be) junior creditors) are unconvincing.

4. Singling out one aspect, missing the broader picture

Although I understand the criticism by professor De Weijs et al, in the gamut of proposed rules and tools, the RPR is seen and analysed as one isolated aspect. The authors are rather silent on the possibility that the RPR will create incentives for early restructuring. In case of the application of the stern APR, the debtor’s company shareholders have very limited incentives to pursue restructuring as their equity will be fully wiped out. One of the major thrusts behind the proposed Directive is to ‘…enable the debtors to restructure effectively at an early stage’. (12) Since the introduction of the APR as the single option disincentivises the debtor’s directors and shareholders to use preventive restructuring frameworks, it may hamper the early restructuring of viable debtors in financial difficulties.

Notably, the US Commission cited above has also proposed that equity owners should be able to participate ‘…if their future contributions, e.g., continued management, [were] essential to the business.’ (13) I share this approach and believe that incentivizing the debtor’s directors and shareholders to use preventive restructuring frameworks as early as possible fully complies with the objectives and spirit of the proposed Directive.

This is particularly so for small and medium-sized enterprises, in which the skills, the connections of management and shareholder(s) and their understanding of (regional) circumstances play a crucial role. The proposed Directive highlights that ‘[f]or the purposes of its implementation, the restructuring plan should make it possible for holders of equity in micro, small and medium-sized enterprises to provide non-monetary restructuring assistance by drawing on, for example, their experience, reputation or business contacts’ (Recital 29a of the proposed Directive). When, as a result of the APR, equity is wiped out, this objective will never be achieved.

5. It is not about insolvency law as we know it

Professor De Weijs et al’s contention is that a drastic move to include the RPR is (thus the Belgian blog) ‘… to jettison the most fundamental rule of reorganization from the future EU framework of reorganization.’ With all respect, this observation is based on a misconception of what actually happens in business reality. An absolute norm, such as the APR, cannot serve as a starting point for discussion on what is necessary for a balanced system of business restructuring. It is a specific (be it an important) ’insolvency’ norm which has value in a specific market and under specific circumstances. Such an uncompromising norm, however, should not hijack a debate which in the end is not about (or not only about) protecting strong vested rights (of banks or certain categories of investors), but one giving chances to viable businesses.  

This all is not an alleged ‘… Teutonic shift within private law, company law and insolvency law’ (letter to the EP) or  ‘… a takeover of all other fields by European (Pre-) Insolvency Law’ (blog), rather it is a search for a new balance between insolvency law, company law and contract law, also based on societal desiderata related to, inter alia, protection of employment and maintenance of business activity. Where restructuring and insolvency laws legislate for business rescue, a careful balancing exercise will still need to take place between the interests of all of the various parties involved: the debtor, its creditors, its members or shareholders, with a view to the broader interests of society and the economy as a whole.(14)

Evidently, the cited scholars acknowledge that in the proposal, the aspect of the RPR is indeed an option. Therefore, we would argue, if Member States believe that it is not a good option, they are free to choose the APR. I fail to see any role of the European Parliament in this respect. Having two options (APR and RPR) creates regulatory competition between the Member States and should ultimately lead to the best results in terms of efficiency. Leaving just one option (ie APR) might impose an inefficient procedure upon all Member States without the business market itself having a chance of operating as a potential corrective.

The authors’ public call to the European Parliament to reconsider the EU adopting the RPR is unavailing in at least two ways: (i) EU politicians should not be consulted nor be invited to intervene in a legal academic debate, and (ii) if choices are to be made, the ball is in the park where it belongs, that of the EU Member States.

Footnotes

1 Available at https://drive.google.com/open?id=1l4Xeljvi2LjarI5aR6c7DBUv3YX2OlNa.

2 Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on preventive restructuring frameworks, second chance and measures to increase the efficiency of restructuring, insolvency and discharge procedures and amending Directive 2012/30 - Confirmation of the final compromise text with a view to agreement, Dec. 17, 2018, Council Paper 15556/18, available at https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-15556-2018-INIT/en/pdf.

3 See R. de Weijs, A. Jonkers and M. Malakotipour, “The Imminent Distortion of European Insolvency Law: How the European Union Erodes the Basic Fabric of Private Law by Allowing ‘Relative Priority’ (RPR).” Available on: https://papers.ssrn.com/sol/papers3.cfm?abtract_id=3350375.

4  A reply to professor Madaus “The new European Relative Priority from the Preventive Restructuring Directive – The end of European Insolvency Law?”, 15 March 2019, available at https://corporatefinancelab.org/?s=weijs.

5 De Weijs et al. draw heavily on academic research of US professor Baird and they attach to their letter a letter of Baird, who concludes that the proposed European Directive seems to have profoundly misunderstood the essence of relative priority. With respect, but I fail to see the relevance of an academic debate in light of this letter to the EP. 

6 Bob Wessels and Stephan Madaus, Instrument of the European Law Institute – Rescue of Business in Insolvency Law (September 6, 2017). Available at https://www.europeanlawinstitute.eu/projects-publications/completed-projects/insolvency/.

7 ELI Business Rescue Report, p. 8.

8 ELI Business Rescue Report, p. 5ff.

9 Available at https://www.codire.eu/wp-content/uploads/2018/11/Stanghellini-Mokal-Paulus-Tirado-Best-practices-in-European-restructuring.-Contractualised-distress-resolution-in-the-shadow-of-the-law-2018-1.pdf), see at p. 45ff.

10 For more on the diversity of ranking of claims in the European context, see Study on a new approach to business failure and insolvency: Comparative legal analysis of the Member States’ relevant provisions and practices, University of Leeds, 2016, p. 112.

11 Bankruptcy Commission of the United States, Report of the Commission on the Bankruptcy Laws of the United States, H.R. Doc. 137, 93d Cong., 1st Sess. (1973) at 256. Discussed in B. Markell, Owners, Auctions, and Absolute Priority in Bankruptcy Reorganizations, Articles by Maurer Faculty. Paper 2061, p. 87.

12 Recital 2 of the proposed Directive.

13 Bankruptcy Commission of the United States, Report of the Commission on the Bankruptcy Laws of the United States, H.R. Doc. 137, 93d Cong., 1st Sess. (1973) at 258.

14 See ELI Business Rescue Report, p. 103.

2019-03-doc8 Kan concernverrekening aan de faillissementsboedel worden tegengeworpen?

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog (http://www.bobwessels.nl/blog/2019-02-doc7-bijdragen-aan-mijn-serie-insolventierecht/) om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht III, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Gelieve dit te doen voor 25 maart 2019. Dit is de vijfde en een na laatste uitnodiging. Nu het volgende onderwerp:

[...]

3389 Contractueel ruimere verrekeningsbevoegdheid? Kan een contractueel bedongen verrekeningsbevoegdheid, die ruimer is dan de in art. 53 afgebakende mogelijkheid, door de gerechtigde aan de boedel worden tegengeworpen? Art. 19 Algemene Bankvoorwaarden (1995) (oud) is een voorbeeld van zo’n verruiming. Art. 19 Algemene Bankvoorwaarden (ABV 1995) regelt de bevoegdheid van de bank ‘… om hetgeen zij al dan niet opeisbaar of onder voorwaarde van de cliënt heeft te vorderen, te verrekenen met al dan niet opeisbare tegenvorderingen van de cliënt op de bank …’  Door de bevoegdheid contractueel mede te betrekken op niet-opeisbare vorderingen is art. 19 ABV ruimer dan de in art. 6:127 BW als regelend recht opgenomen bevoegdheid. Uitvoeriger Filott, Algemene bankvoorwaarden, serie Bank- en Effectenrecht, nr. 3 (2000), p. 83 e.v.; Slagter, Commentaar op de algemene bankvoorwaarden, NIBE-Bankjuridische Reeks, nr. 38 (1999), p. 139 e.v. Vergelijk Rb. Amsterdam 17 april 1996, JOR 1996/101.
Art. 25 Algemene Bankvoorwaarden, zoals deze met ingang van 1 november 2009 in werking zijn getreden, wijkt in de geciteerde tekst niet noemenswaardig van het oude art. 19 af. Over de in 2009 vernieuwde Algemene Bankvoorwaarden, zie Van der Burgh, FIP februari 2010, p. 12 e.v. Art. 25 Algemene Bankvoorwaarden 2017, die op 1 januari 2018 in werking traden, hanteert een vergelijkbare formulering, zie Beekhoven van den Boezem en Bertrams, in: Wessels/Jongeneel, Algemene voorwaarden (2017), p. 569 e.v.  
Concernverrekening. Een ander voorbeeld is het beding waarbij het wederkerigheidsveiste is verruimd, de zogenoemde concerncompensatie of concernverrekening. Zie Jol (1996), p. 213. Voorop staat dat HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:428, JOR 2018/170; Van Boom, AA20180715, aanneemt dat art. 6:127 lid 2 BW (dat bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening onder andere afhankelijk is van wederkerig schuldenaarschap) van regelend recht is. In deze zaak is tussen drie partijen, AA Accountants, P&H en Previa, overeengekomen dat de vorderingen van Previa in verband met de werkzaamheden ten behoeve van AA Accountants zouden worden verrekend met de vorderingen die AA Accountants voor haar werkzaamheden verkreeg op – onder andere – P&H en Previa. In de correspondentie is een beroep op die verrekeningsafspraak gedaan. In het licht hiervan overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat verrekening afstuit op het ontbreken van wederkerigheid hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onbegrijpelijk is. De uitspraak bevestigt de buiten faillissement bestaande mogelijkheid om contractueel over een te komen dat binnen een groep van vennootschappen vorderingen op een werkmaatschappij met schulden van een andere werkmaatschappij verrekend kunnen worden.   
In zijn dissertatie meent Faber (Faber, diss. (2005), p. 580 e.v.) dat een vóór faillissement tot stand gekomen concernverrekening (of meerpartijen-verrekening) tijdens het faillissement aan de boedel kan worden tegengeworpen. Zie ook Abendroth, noot onder Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:918, JOR 2015/277, en de annotatie van Faber onder Hof ’s-Hertogenbosch 23 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:241; RI 2018/40; JOR 2018/134. Tekstra, diss. (2011), p. 62, steunt de idee, alsook – zij het terughoudender – Wibier, RM Themis 2012-5, p. 246. Voor alternatieven: Wibier, De kredietcrisis en privaatrecht, rede Tilburg (2011), p. 18 e.v.
Ik meen echter dat zulks niet mogelijk is. De wettelijke verrekeningsvereisten, waaronder het wederkerigheidsvereiste (par. 3378), en de bijzonderheid inzake de hoedanigheid van de vordering (vergelijk art. 53 lid 2) gelden. Een ruimere bevoegdheid strijdt met ratio van art. 53: mocht deze schuldeiser nu werkelijk verwachten dat zijn schuld aan de boedel als onderpand voor de richtige betaling van al deze vorderingen (op derden, zij het met de debiteur gelieerde rechtspersonen) zou dienen? In deze zin ook Rb. Amsterdam 25 januari 2006, JOR 2006/220, oordelend dat bij overeenkomst toepasselijkheid van art. 234 lid 1 (equivalent van art. 53 in surseance) niet terzijde kan worden geschoven. Aldus ten aanzien van art. 53 op grond van zijn strekking (‘onderpand’-gedachte): Rb. Rotterdam 26 maart 2008, LJN BC9717; RI 2008/57. In resultaat gelijkluidend Rb. ’s-Gravenhage 16 mei 2007, LJN BA5362 (geen verrekening declaraties advocaat met gelden op derdenrekening, gehouden door stichting, na faillissement cliënt); Rb. Arnhem 15 augustus 2007, LJN BB2036. De zaak beslist door Hof ’s-Gravenhage 21 december 2006, LJN AZ5058, bevat onvoldoende aanwijzingen om (concern)verrekening te overwegen. Vergelijk voorts Rb. Middelburg 8 juni 2005, LJN AZ5303.
Rb. Zwolle-Lelystad 26 september 2007, JOR 2008/55, staat een contractuele verrekening wel toe indien de vordering en de schuld (art. 6:127 lid 3 BW) in van elkaar gescheiden vermogens vallen, maar: ‘Dat verbod is terzijde geschoven door de praktijk van de ..."economische eenheid" tussen partijen.’ Ten aanzien van het gangbaar voorkomende art. 19 ABV (oud)/art. 25 ABV (2009) zou getwijfeld kunnen worden of dit beding wel ‘ruimer’ is, gezien de omzettingsfiguur die art. 131 lid 1 kent voor niet-opeisbare verbintenissen. Bij een beding dat concerncompensatie mogelijk maakt is deze twijfel er niet, omdat in dat geval de gerechtigde zijn schuld jegens de failliet verrekent met vorderingen die (ten dele) op anderen dan de failliet bestaan. In gelijke zin Verdaas, GS Faillissementsrecht, art. 53, aant. 9, en Waarschijnlijk ook in gelijke zin Polak, commentaar onder Rb. Utrecht 26 juni 1996, TvI 1997, p. 53.
Zie voor een geval waarin verrekening werd toegestaan de situatie dat de schuldeiser een schuld jegens een niet-failliete dochter (MPF) mocht verrekenen met een vordering jegens de failliete moeder (Megapool) Rb. Maastricht 21 december 2005, LJN AU9596. Naast gebrek aan identiteitsverschil speelde uitleg van achterliggende contractdocumentatie een rol. Rb. ’s-Hertogenbosch 28 februari 2007, n.g., (instemmend aangehaald door Rb. Arnhem 16 mei 2007, LJN BA5855), staat geen verrekening toe omdat MPF en Megapool zelfstandige entiteiten zijn en onvoldoende omstandigheden zijn gebleken om vereenzelviging aan te nemen. Rb. ’s-Gravenhage 26 mei 2010, LJN BM8594; RI 2010/75; JOR 2010/206, staat verrekening (er is geen overname van een vordering in de zin van art. 54, maar een meerpartijenovereenkomst tussen groepsvennootschappen tot zogenoemde periodieke clearing) in faillissement toe. Zo ook Rb. Breda 3 november 2010, LJN BO2769; RI 2011/15; JOR 2011/30.
Financiëlezekerheidsovereenkomsten. Over financiëlezekerheidsovereenkomsten, close-out netting en verrekening, zie Schuijling (2012).
Consolidatie. Hof ’s-Gravenhage 31 mei 2011, LJN BQ7323; RI 2011/72, stelt voorop dat zich in de faillissementspraktijk de figuur heeft ontwikkeld dat onder omstandigheden de faillissementen van bij elkaar betrokken vennootschappen als één boedel kunnen worden afgewikkeld. Die mogelijkheid is, aldus het hof, ook in de jurisprudentie aanvaard. Het hof wijst op HR 25 september 1987, NJ 1988, 136: ‘De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid goed te keuren dat de faillissementen van twee of meer vennootschappen geconsolideerd worden afgewikkeld. Nu een wettelijke grondslag voor deze wijze van afwikkelen (nog) ontbreekt, moet van geval tot geval bekeken worden welke gevolgen die zo goed mogelijk in de bestaande wettelijke regelingen passen, een geconsolideerde afwikkeling heeft’. Het hof oordeelt dat na consolidatie een crediteur zijn vordering kan verrekenen met zijn schuld aan een andere failliet.
In een geval van geconsolideerde afwikkeling wordt geen verrekening toegestaan door: Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2106.

[...]