Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog 2018

2018-06-doc1 Woningcooperatie en zorginstelling in faillissement

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

 [1086]    Rechtssubjecten uitgesloten van faillissement. Er zijn uitzonderingen op de regel dat iedere schuldenaar kan worden failliet verklaard. De faillissementscurator in zijn hoedanigheid kan niet failliet worden verklaard. Voor een belangrijke categorie schuldenaren (financiële instellingen als banken en verzekeringsmaatschappijen) geldt een afzonderlijk regime, zie par. 1515 e.v.


[1087]    Zorginstellingen. Voor ziekenhuizen gold tot 2005 een bijzonder regime. Art. 18a e.v. Wet Ziekenhuisvoorzieningen (oud) kende de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de bevoegdheid toe een ziekenhuisvoorziening te sluiten respectievelijk te saneren. De Commissie Sanering voerde het bij deze Wet behorende Besluit financiering sanering ziekenhuisvoorzieningen (Stb. 1981, 386, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 1997, Stb. 702) uit. Bij collisie met de bevoegdheden van een faillissementscurator prevaleren de bevoegdheden van de eerste, aldus Afd. Bestuursrechtspraak RvSt. 31 augustus 1995, TvG 1996/68. Vergelijk ook Vriesendorp, TvI 2005, p. 137 e.v. Thans heeft sanering betrekking op een ‘zorginstelling’, vergelijk Hoofdstuk V (‘Sanering’) in de Wet toelating zorginstellingen, Stb. 2005, 571, en wordt zij uitgevoerd door het College sanering (art. 1 lid 1 onder c van genoemde wet). Sedertdien is de regelgeving aan kritiek onderhevig, mede naar aanleiding van de financiële perikelen omtrent het Slotervaart ziekenhuis (Klaassen, Ondernemingsrecht 2015/14) en het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis (vergelijk Kampers en Lintel, TvI 2017/18) en ziekenhuis De Sionsberg. Over aspecten van het faillissement van een zorginstelling, zie Meersma, Hekman en Rijken, in: Onderneming en Financiering 2017 (25) 1, p. 69 e.v. Het onderwerp heeft de aandacht van het ministerie, zie de evaluatie van de faillissementen van de genoemde twee ziekenhuizen: brief d.d. 8 maart 2016 van de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, kenmerk 917538-147190-MC. Het ministerie heeft in juli 2017 een 20 pagina tellende ‘Handreiking curatoren faillissementen in de zorg’ gepubliceerd, zie www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/07/06/handreiking-faillissementen-in-de-zorg-voor-curatoren. Gezien het enorme belang gemoeid met de continuïteit in zorg (patiënten belang; financieel belang overheid; werkgelegenheid van vele duizenden) ben ik voorstander van een insolventiestelsel dat meer is toegesneden op de specifieke problematiek bij zorginstellingen en meer pasklare oplossingen aanreikt voor vroegtijdig ingrijpen, zie www.bobwessels.nl/blog/2017-07-doc7-naar-een-stille-curatele-voor-zorginstellingen-in-financiele-problemen/

[1087a] Volkshuisvesting-instellingen; woningcoöperaties. Volgens art. 61h lid 1 Woningwet kan een toegelaten instelling (woningcoöperatie) of een dochtermaatschappij indien deze ‘… het belang van de volkshuisvesting ernstige schade berokkent, redelijkerwijs in die situatie geen verbetering te voorzien is en een andere daartegen gerichte maatregel dan het onder bewind stellen van die toegelaten instelling of dochtermaatschappij niet doeltreffender zou zijn’ door de rechtbank in het arrondissement waarin zij haar woonplaats heeft onder bewind worden gesteld op een daartoe strekkend verzoek van de verantwoordelijke minister. De rechtbank behandelt het verzoek binnen twee weken nadat hij het heeft ontvangen (art. 61h lid 2 Woningwet). Art. 61h lid 3 bepaalt: ‘Een toegelaten instelling of een dochtermaatschappij die surseance van betaling heeft aangevraagd, aan welke surseance van betaling is verleend, van welke het faillissement is aangevraagd of die failliet is verklaard wordt niet onder bewind gesteld in de zin van dit artikel’. De bepaling is vrij onduidelijk (bijvoorbeeld: als een faillissementsaanvraag reeds voldoende is lijkt het alternatief ‘die failliet is verklaard’ overbodig; wat indien de aanvraag wordt afgewezen?; of moet er sprake zijn van faillietverklaring?) Een overeenkomstige regeling in art. 70e Woningwet (oud) liet onduidelijk of een reeds ingesteld bewind wijkt als bedoelde instelling failleert. Art. 61i lid 1 Woningwet neemt deze onduidelijkheid weg. Het bewind eindigt (i) twee jaar na de uitspraak van de rechtbank waarbij de toegelaten instelling of de dochtermaatschappij onder bewind is gesteld dan wel (ii) met onmiddellijke ingang na het onherroepelijk worden van een benoeming van een of meer bewindvoerders in een aan die toegelaten instelling of dochtermaatschappij verleende surseance van betaling of van een of meer curatoren in haar faillissement. De Minister voor Wonen en Rijksdienst geeft in een brief van oktober 2015 aan de Tweede Kamer enkele opvattingen weer die zijns inziens bij het faillissement van een woningcoöperatie aan de orde zijn, zie Kamerstukken II, vergaderjaar 2015/16, nr. 400. Genoemde minister was een minister zonder portefeuille. De post is onder het kabinet Rutte III verdwenen. Het terrein valt thans onder Binnenlandse Zaken.

2018-05-doc6 Powers of an IP acting in another EU member state

In principle, an insolvency practitioner appointed by a court that has jurisdiction pursuant to Article 3(1) of the recast European Insolvency Regulation (EIR 2015), has the authority to exercise all the powers conferred on him by the lex concursus in other member states. The Lex concursus is the law applicable to the insolvency proceedings and their effects, being the law of the member state within the territory of which such proceedings are opened. The term “opening” means a decision of the court to open insolvency proceedings, to confirm the opening of such proceedings, or to appoint an IP.
Like judgments opening insolvency proceedings, an IP’s powers shall be recognised “automatically” in all EU member states. The number of powers that an insolvency practitioner may have, the nature of such powers and their legal effects are all determined by the lex concursus. Furthermore, the lex concursus is decisive with regard to the IP’s legal tasks, duties, the scope of his power and the grounds and procedure for his removal.
For example, in Dutch main insolvency proceedings, the appointed IP will be subject to supervision by the supervisory judge (“rechter-commissaris”) when taking steps in other member states.
In literature, one finds the opinion that the lex concursus will also be decisive in determining the insolvency practitioner’s liability for failure or weakness of performance, including the standard of care required. However, the possibility cannot be excluded that certain (third) parties could start liability proceedings before the courts of another state within the territory of which certain acts of the IP have caused damages. As to jurisdiction in those circumstances, a Barcelona Court in 2013 decided that a main IP from Germany may act in Spain, fully in accordance with the domestic powers afforded to him by Spanish law. He can be liable in Germany, to be decided by a German court, but such an action can also be decided by a Spanish court (see “References” below for the case number).

The IP may also find in the Insolvency Regulation some specific additional powers.
The second sentence of Article 21(1) in the EIR 2015 explicitly provides for the main insolvency practitioner to have power to remove the debtor’s assets from the territory of the member state in which these assets are situated, subject to Articles 8 and 10, respectively on third parties’ rights in rem and reservation of title. The provision creates a substantive rule, as this power may also be exercised when the lex concursus itself does not include a power of this nature. However, when removing assets, the IP must respect Articles 8 and 10, as the main insolvency proceedings cannot affect rights in rem of creditors or third parties over assets situated, at the time of the opening, in a member state other than the state of the opening of the proceedings.
In addition, the insolvency practitioner in the main insolvency proceedings only has authority to exercise his powers in the other member states within the limits of the Insolvency Regulation – see the first sentence of Article 21(1) of the EIR 2015: and therefore only “… as long as no other insolvency proceedings have been opened there and no preservation measure to the contrary has been taken there further to a request for the opening of insolvency proceedings in that State.” This general limitation relates to the possibility of opening territorial insolvency proceedings pursuant to Article 3(2) of the EIR 2015. Within the system of the Regulation this is a logical restriction, since the assets cannot be subject to the powers of two different IPs.

Once secondary proceedings (which have territorial effect) have been opened in another member state, the direct powers of the IP in the main proceedings no longer apply to assets situated in the state of the opening of the secondary proceedings. The IP in these latter territorial proceedings has exclusive powers over those assets. This does not, however, imply that the main IP loses all influence over the debtor’s estate situated in the other member state, it rather means that his influence must be exercised through the powers conferred on that IP by the Regulation to coordinate the territorial proceedings and the main insolvency proceedings.
In addition to those limitations, the IP in the main insolvency proceedings shall, in exercising his powers, comply with the law of the member state within the territory of which he intends to take action, in particular with regard to procedures for the realisation of assets. Such powers may not include coercive measures, unless ordered by the court of that member state, or the right to rule on legal proceedings or disputes (see Article 21(3) of EIR 2015). In any given case where the persons affected by an IP’s act do not voluntarily agree to its performance and coercive measures are required with regard to assets or persons, the IP must apply to the authorities of the state where the assets or persons are located to have them adopted and implemented.

The meaning of “shall comply with” local law may be confusing. The English text (“shall comply”) appears to be stricter than various other texts, for example the Dutch text uses eerbiedigen (which is the equivalent of “to respect”), the French text doit respecter, Spanish deberá respectar. The rationale is that the IP has the powers based on the lex concursus of main insolvency proceedings. They stay intact, with due respect to the lex concursus of the other member state, in as far as it concerns taking actions, more specifically procedures for the realisation of assets. Where procedural law in the other member state does not include specific provisions that allow the main IP to address the court, or where national law is interpreted in a way that is not beneficial to the main IP, it may be necessary to request the opening of secondary proceedings.

A remarkeable example of infringing the laws of the state in which the IP takes action comes from The Dutch Council of State in 2016. Although the IP may transfer assets belonging to the estate in another member state, this power may be subject to rules limiting the free movement of goods. An asset, for instance, may be part of the historical and cultural heritage of a member state and may be subject to an export ban protected under Article 30 of the Lisbon Treaty and Article 36 of the Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU).
As stated in the last sentence of Article 21(3) in the EIR 2015, not all powers of an IP may be exercised, as he may not employ coercive measures or exercise the right to rule on legal proceedings or disputes. The main IP can not be a judge in their own case.
An example (based on Article 18 of the former Insolvency Regulation, which is similar to Article 23 of the EIR 2015) is a case decided by the Netherlands Supreme Court in 2011.
Three joint administrators had been appointed over a debtor, Y, on 10 December 2008 by the Country Court of Huddersfield in England. At the request of the joint liquidators, the Huddersfield Country Court issued an order in July 2009 against Handelsveem BV in Rotterdam (in Dutch, “handelsveem” translates as “commercial warehousing company”) to submit a detailed list to the joint administrators of all the relevant documents relating to stock situated in all of its locations, present between 1 January 2008 and 31 December 2008.
The liquidators also requested recognition of the English court’s disclosure order from a District Court in Rotterdam on the basis of Article 25 of the EIR 2000 (generally reflected in Article 32 of the EIR 2015), and the court granted this request on appeal on 12 January 2010.
According to the court, the given order was an action that derived directly from the insolvency proceedings and which was closely connected to them. The plaintiff complained that the given order was in conflict with Article 18(3) of the EIR 2000, as it opened the possibility of exercising coercion measures in the Netherlands without an exequatur or any other form of control by a Dutch court. The District Court denied that Article 18(3) of the EIR 2000 was applicable. The plaintiff appealed, but the Netherlands Supreme Court decided: “Article 18(3) is a limitation to the principle rule, laid down in Article 18(1) that the liquidator of another Member State can exercise all the powers which are conferred to him by the law of the Member State in which the proceedings have been opened, in as far as these powers include coercive measures. These latter measures are to be regarded as only those coercive measures which flow directly from such law. The limitation does not relate to the case at hand in which the liquidator aims to act in another Member State on the basis of a decision which can be recognised and executed in the meaning of Article 25. Article 18(3) does not stand in the way to the possibility that the joint liquidators in the Netherlands request for recognition of the order, given by the English court, if necessary with the application of coercive measures available under Dutch law. The District Court's decision that Article 18(3) does not apply in this case therefore is correct.”

I note that the powers of an insolvency practitioner in territorial proceedings will be limited to the administration and disposal of assets belonging to the proceedings under which the powers of the IP are derived. Article 21(2) of the EIR 2015 provides that the IP in the secondary proceeding may apply to these other states and request from their courts the return of the assets, or may insist on such a transfer for any other purpose useful to the local proceedings.
One may wonder which specific court in the other jurisdiction the IP should address? In my view the IP should address the foreign court, but which specific foreign court that is must be determined by the law of the particular country in question.
The question remains open as to whether the IP may directly approach a bank in a foreign member state to request transmission of funds to territorial proceedings in the event that the debtor has transferred money to a foreign account. Where the IP, pursuant to Article 21(2), may claim “out of court” that moveable property was removed, he may approach the bank. However, the bank’s predictable response if it had reason to refuse would be that the money does not qualify as “moveable property”.

References
Court (Audienca) Provincial Barcelona 6 March 2013, NZI 13/2014, 576.
Raad van State 17 February 2016, ECLI:NL:RVS:2016:411.
Netherlands Supreme Court 18 March 2011, LJN BP1404.

This is a slightly adapted version of a regular column Bob Wessels is writing for Global Restructuring Review (GRR) on the topic of cross-border restructuring and insolvency in a European context. GRR is a subscription-only publication, but here is a link to the full piece, which appeared in March 2018 on GRR’s website at http://globalrestructuringreview.com

2018-05-doc5 Pluraliteitsvereiste

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

[1192a] 2017: Hoge Raad houdt vast aan pluraliteitsvereiste. Ik gaf in par. 1190 aan dat HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488 (Säkaphen GmbH/Carrecon-Piguillet B.V., hierna: ‘S’ en ‘C’) aan het pluraliteitsvereiste vasthoudt. In de zaak is C in maart 2014 bij arbitraal vonnis veroordeeld tot betaling aan S van ruim € 2 miljoen. In augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis, maar executie bleek vergeefs. S heeft vervolgens verzocht C failliet te verklaren. De rechtbank wijst het verzoek af en het hof in Den Haag (zie Hof Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2443) heeft die beschikking bekrachtigd. Het overwoog onder meer dat niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat C in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Het staat in deze zaak vast dat partijen niet van mening verschillen over het feit dat niet is voldaan aan het volgens vaste jurisprudentie geldende pluraliteitsvereiste. Het hof ziet echter in de door S aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om van die vaste rechtspraak af te wijken. In cassatie wordt aangevoerd dat het afschaffing van het pluraliteitsvereiste in de rede ligt. Een zestal gronden wordt aangevoerd, die alle in de literatuur zijn ontwikkeld. Het zijn: (i) het pluraliteitsvereiste volgt niet uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire stukken, (ii) het in de rechtspraak gehanteerde argument voor het stellen van de eis, te weten dat het faillissement tot doel heeft de vereffening in het belang van de gezamenlijke schuldeisers, waarmee niet strookt het faillissement uit te spreken indien er één schuldeiser is, heeft anno 2016 zijn waarde verloren, (iii) in de praktijk is in de regel wel degelijk sprake van pluraliteit van schuldeisers; de aanvrager van het faillissement weet echter niet het bestaan van andere schuldeisers aannemelijk te maken, (iv) het pluraliteitsvereiste werkt misbruik in de hand omdat het een schuldenaar in financiële moeilijkheden prikkelt om het bestaan van andere schuldeisers onder de pet te houden of om (kleinere) steunvorderingen te betalen met uitzondering van de (vaak grote) vordering van de aanvrager, om een faillissementsaanvraag af te wenden of uit te stellen, (v) de curator staan diverse bijzondere bevoegdheden ten dienste om actief op te sporen en te genereren en om in dat kader onoorbare gedragingen van de schuldenaar te redresseren, welke bevoegdheden een individuele crediteur niet heeft; het valt niet in te zien waarom een schuldeiser alleen van die bevoegdheden zou kunnen profiteren indien hij aannemelijk weet te maken dat hij medeschuldeisers heeft, en (vi) de pluraliteitseis voor faillietverklaring is in internationaal verband een vreemde eend in de bijt, met verwijzing naar het recht van België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde States. De conclusie van deze principieel uitgewerkte klacht in cassatie is dat in het kader van een faillissementsaanvraag slechts de vraag beantwoord moet worden of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (art. 1 lid 1 en art. 6 lid 3), waarbij pluraliteit van schuldeisers geen noodzakelijke voorwaarde is.

[1192b] HR houdt vast aan pluraliteit, met twee zwakke argumenten. Met deze klacht, zo geeft de Hoge Raad aan, wordt beoogd de Hoge Raad te doen terugkomen van het krachtens zijn vaste rechtspraak voor het uitspreken van een faillietverklaring geldende vereiste dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft. De Hoge Raad geeft aan dat hij laatstelijk zo beslist heeft in HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681 (zie par. 1189 hierboven) en houdt het kort: ‘De klacht faalt. De Hoge Raad ziet geen aanleiding van zijn vaste rechtspraak terug te komen. De voor een faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering, vindt volgens die rechtspraak zijn rechtvaardiging hierin dat het faillissement ten doel heeft het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts één schuldeiser heeft. In dit verband is mede van belang dat voornoemd doel ook in het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht tot uitgangspunt wordt genomen, en dat het pluraliteitsvereiste hierin niet ter discussie wordt gesteld. Dat de wetgever het pluraliteitsvereiste onderschrijft, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van het in 2012 ingevoerde art. 212ha Fw.’

Ik verwijs naar de behandeling van de in de cassatieklacht aangevoerde argumenten naar de fraaie conclusie van A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:HR:2017:488, die strekte tot verwerping van het cassatieberoep. Zij haalt ook de literatuur aan die het laten vallen van het pluraliteitsvereiste verdedigde. Zie ook het verdiepende artikel van De Kloe, AA maart 2018, p. 204 e.v., die zich geen voorstander betoont van afschaffing van het pluraliteitsvereiste, echter een nuancering bepleit door in gevallen van misbruik een beroep op het vereiste ter zijde te schuiven. Ik wijs op Rb. Den Haag 14 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7369, die samenvat dat verzoeker heeft aangevoerd dat faillietverklaring ook zonder steunvordering mogelijk zou moeten zijn en dat de ‘… bestendige lijn in de rechtspraak toch eens doorbroken zou moeten worden. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat hij al lange tijd op zijn geld wacht en dat hier sprake is van een niet bona fide onderneming. Die gronden zijn onvoldoende om een uitzondering te maken op de bedoelde bestendige lijn. Het verzoek tot faillietverklaring dient te worden afgewezen.’

Zie voor enkele vindplaatsen van HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488 (Säkaphen GmbH/Carrecon-Piguillet B.V.), RI 2017/41; JOR 2017/183, nt. Van Eeden-Harskamp. Voor beschouwingen, zie Kitslaar, Jutd 2017/0063; Tollenaar, TvI 2017/14; De Jong, TvCu 2017 2017, p. 51 e.v. De rechtspraak volgt het arrest van de Hoge Raad, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5510; Hof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8162; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8735.

Argumenten Hoge Raad. De Hoge Raad steunt de stellige bevestiging van zijn rechtspraak op drie argumenten. Het eerste is bekend: de voor een faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering wordt gerechtvaardigd door het feit ‘… dat het faillissement ten doel heeft het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts één schuldeiser heeft.’ Zie par. 1191.

Op het tweede argument (‘In dit verband is mede van belang dat voornoemd doel ook in het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht tot uitgangspunt wordt genomen, en dat het pluraliteitsvereiste hierin niet ter discussie wordt gesteld’) is het nodige af te dingen. Het wetgevingsprogramma is vanuit drie pijlers opgezet (fraudebestrijding; modernisering faillissementsprocedure; stimuleren ondernemingscontinuïteit). Het pluraliteitsvereiste is een principieël beginsel dat met het doel van het faillissement te maken heeft. Een discussie over doelstellingen van insolventiemaatregelen heeft wel plaatsgevonden c.q. vindt plaats naar aanleiding van de voorstellen voor wetgeving inzake continuïteit van ondernemingen, zij vindt echter niet in samenhang met doelstellingen van andere insolventiemaatregelen plaats. Coherentie in de gehele systematiek van de insolventiewetgeving, waarop nagenoeg eensluidend door de literatuur wordt aangedrongen, zou tot een herwaardering (waaronder ook expliciete vastlegging in de wet) van het pluraliteitsvereiste kunnen leiden.  

Ook het derde argument (‘Dat de wetgever het pluraliteitsvereiste onderschrijft, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van het in 2012 ingevoerde art. 212ha Fw’) is zwak. In de door de A-G in haar conclusie aangehaalde toelichting bij de invoering van art. 212ha (MvT, Kamerstukken II, 33 059, nr. 3) komt het woord ‘pluraliteit’ of ‘pluraliteitsvereiste’ niet voor. In deze MvT geeft de wetgever er evenmin blijk van te hebben nagedacht over pluraliteit. Dat was ook niet nodig omdat art. 212ha onderdeel uitmaakt van een geheel eigen stelsel, namelijk het faillissement van een bank (zie par. 1516), de bepaling de uitdrukking is van bijzondere interventiewetgeving ten aanzien van financiële ondernemingen (par. 1518), waarbij de faillissements-test ten aanzien van de schuldenaar (een bank) ook een andere is (par. 1526f, 1543b en 1543e) en ook de summierlijke toets afwijkt van die bij een gewoon faillissement (par. 1543o).

[1192c] 2018: HR bevestigt nogmaals pluraliteitsvereiste. Zie in dit verband ook HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:774. De casus: tijdens een procedure in hoger beroep tot faillietverklaring is geld gestort op een derdenrekening. Onder de voorwaarde dat het faillissementsvonnis wordt vernietigd, zal het geld worden aangewend om de faillissementskosten en de steunvorderingen integraal te voldoen. De vraag die voorligt is of in een dergelijk geval nog wel voldaan is aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Omdat de steunvorderingen pas worden voldaan ná de vernietiging van het faillissement, bestaan de steunvorderingen nog ten tijde van de beslissing op de faillissementsaanvraag. De motivering klinkt bekend: ‘De voor een faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering (het pluraliteitsvereiste), wordt gesteld omdat het faillissement ten doel heeft het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van iemand die slechts één schuldeiser heeft. (zie onder meer HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488, rov. 3.3.2, en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, NJ 2014/407 (ABN Amro/Berzona), rov. 3.4.1).’

++++++++++

Tot zover. Ook op de concepttekst in http://www.bobwessels.nl/blog/2018-05-doc4-kanttekeningen-bij-art-362-fw kan nog commentaar worden geleverd.

2018-05-doc4 Kanttekeningen bij art. 362 Fw

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

[1068j] Aanpassingen 5e druk. Zoals ik in het Woord vooraf in dit deel van de 5e druk van de serie Wessels Insolventierecht aangaf groeit het insolventierecht, dat zijn weerslag in de Faillissementswet heeft, in enkele jaren uit tot vier sets van regels (voor faillissement, voor surseance, voor de regeling van schuldsanering van natuurlijke personen en voor situaties ‘buiten faillissement en surseance van betaling’). Dat dwingt ertoe in deze serie mede in ogenschouw te nemen de differentiatie in deze (pre-)insolventieprocedures en hun verschillende privaat- en procesrechtelijke uitwerkingen. De logische consequentie is dat ik per afzonderlijke procedure meer aandacht vraag voor (i) processuele differentiatie, (ii) privaatrechtelijke verankering, (iii) toekomstige ontwikkelingen, (iv) maatschappelijke (Europese) signalen, en (v) financieel-economische en multidisciplinaire aspecten. Ik geef van alle een voorbeeld.

[1068k] Processuele differentiatie. De verwerking van het procesrecht in de Titels I (Faillissement), II (Surseance van betaling) en III (Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) van de wet verschilt van elkaar. In Titel I is een eigen stelsel van rechtsmiddelen ter zake van de faillissementsaanvraag opgenomen (art. 8-12) en kent bijvoorbeeld art. 67 lid 1 een eigen regeling van hoger beroep tegen een beperkt aantal beschikkingen. In Titel II zijn in het bijzonder twee eigen regelingen uitgewerkt: art. 282, dat betrekking heeft op de beperking van beroepsmogelijkheden tegen beschikkingen die door de rechter op basis van Titel II zijn gegeven, en art. 283, dat limitatief aangeeft welke verzoeken (‘verzoekschriften’, oud) moeten worden onderte­kend door een advocaat. Voor het instellen van beroep in cassatie is steeds de medewerking nodig van een advocaat bij de Hoge Raad. Zie verder Wessels Insolventierecht VIII 2014/8456 e.v. Voor de schuldsaneringsregeling in Titel III bepaalt art. 360 dat tegen de beslissingen van de rechter, ingevolge de bepalingen van Titel III gegeven, geen hogere voorziening open staan, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet (art. 360). Een groot deel van de verzoeken die ingevolge Titel III kunnen worden gedaan moeten door een in art. 5 bedoelde advocaat zijn ondertekend. Voor het instellen van beroep in cassatie is steeds de medewerking nodig van een advocaat bij de Hoge Raad (art. 361). Zie verder Wessels Insolventierecht IX 2017/9430 e.v.

De Algemene Termijnenwet heeft op alle drie de titels betrekking, maar – zie art. 362 lid 1 – zij is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de art. 39, art. 40, art. 238, art. 239 en art. 305. Art. 362 lid 2 bepaalt dat art. 261–297 Rv niet van toepassing zijn op verzoeken ingevolge de Faillissementswet.

[1068ka] Volledige terugbetaling staatssteun bij akkoord. Artikel 12 Wet terugvordering staatssteun (Stb. 2018, 75) voegt aan art. 362 een lid 3 toe, luidende: ‘3. De rechtbank weigert homologatie van een akkoord, bedoeld in deze wet, indien het akkoord niet voorziet in de terugbetaling van de staatssteun die ingevolge een Commissiebesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteun moet worden teruggevorderd’. In de MvT, Kamerstukken II, vergaderjaar 2016/17, 34 753, onder punt 6.3, is toegelicht dat de bepaling voortvloeit uit de rechtspraak van het Europese Hof (o.a. HvJ EU 11 december 2012, ECLI:EU:C:2012:781 [C-610/10, Magefesa]) over onvoorwaardelijke en effectieve terugbetaling van staatssteun in situaties van insolvabiliteit. De bepaling moet bewerkstelligen dat een akkoord als bedoeld in de wet niet kan worden goedgekeurd (gehomologeerd) door de rechter indien dat akkoord niet de volledige terugbetaling waarborgt van de staatssteun die ingevolge een Commissiebesluit moet worden teruggevorderd. De bepaling is in art. 362 geplaatst. Onder artikel 12 van genoemde wet wordt toegelicht dat de aard en de omvang van de betalingsverplichting wordt gegeven door het Commissiebesluit, bedoeld in art. 1 van de Wet terugvordering staatssteun. Het gaat hierbij ‘... onder meer om homologatie van een akkoord in faillissement (artikel 153 Fw), in surseance (artikel 272 Fw) en schuldsanering (artikel 338 Fw)’. De woorden ‘onder meer’ zijn onduidelijk. Er is gekozen voor plaatsing in een algemene bepaling van de wet, ‘… omdat hierdoor de bepaling op alle gevallen van toepassing is waarbij een akkoord door de rechter kan worden gehomologeerd, ook op basis van eventuele toekomstige regelingen.’ Kennelijk wordt gedoeld op de regeling in de voorziene Titel IV, hetgeen ook de woorden ‘onder meer’ zou verklaren. Nagegaan zou moeten worden of deze Europeesrechtelijke bijzondere terugvorderingsregeling ook van toepassing is op de situatie waarin Titel IV zal gaan voorzien, te weten situaties buiten surseance van betaling en faillissement. Datum van de inwerkingtreding van de wet: 1 juli 2018 (Stb. 2018, 79).

[...]

2018-05-doc3 Start bewerking serie Wessels Insolventierecht

Enige tijd geleden ben ik gestart met de bewerking en actualisering van alle tien delen in de serie Wessels Insolventierecht. Dat wordt dan de 5e druk van de serie. Deo volente, hoop ik deze tussen 2018 en 2022 te voltooien. Na bijna 20 jaar was het tijd om enkele bescheiden wijzigingen door te voeren. Ik noem kort: versterking privaatrechtelijke inbedding, verscherping procesrechtelijke signatuur en naast aandacht voor het positieve insolventierecht ook nagenoeg vaststaande komende Nederlandse wetgeving en Europese ontwikkelingen laten doorklinken. Zin om iets bij te dragen? In de 4e druk van Deel X in de serie (Wessels International Insolvency Law Part II), welk deel in het najaar van 2017 verscheen, heb ik een nieuw element aan het schrijfproces toegevoegd door te communiceren met personen die actief zijn op het gebied van Europese herstructurering en insolventie. Via mijn blog (www.bobwessels.nl) en via LinkedIn heb ik conceptteksten van Part II gepubliceerd met de uitnodiging aan degenen die geïnteresseerd zijn op het desbetreffende onderwerp betrekking hebbende literatuur, uitspraken of praktijkervaringen te sturen of commentaar te leveren op deze teksten. In het voorjaar van 2017 heb ik in een periode van vier maanden acht keer een uitnodiging gepost. Een incentive om op deze wijze bij te dragen aan het ‘live’-debat over mijn teksten is de zekerheid dat (i) substantiële bijdragen worden erkend door de namen van de betrokken auteurs te vermelden en dat (ii) in geselecteerde gevallen de gemailde reacties kunnen worden aangehaald in de tekst, samen met de erkenning van de auteur. De uit ongeveer dertig landen ontvangen reacties, beschrijvingen van praktijkgevallen, literatuurbronnen en zelfs de ontwerptekst van een proefschrift waren de rijke vrucht van het toen geïntroduceerde ‘deliberate public participatory drafting process’ dat mij goed bevallen is. Zie http://www.bobwessels.nl/blog/2017-08-doc5-4th-edition-intl-insolvency-law-part-ii-ready-for-launch/. Om deze reden is in overleg met uitgever Wolters Kluwer besloten dit voor de 5e druk van de serie ook toe te passen. Belangstelling? Hou dan mijn blog in de gaten en reageer via: info@bobwessels.nl. Alvast dank!