Follow me

RSS feed


2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog 2018

2018-11-doc 6 Practical guide to insolvency litigation

This book, Insolvency Litigation: A Practical Guide, indeed is practical guide. Two years after the publication of its first edition, the second edition is out. A group of contributors, led by the book’s editors Sarah McLennan and Adam Deacock provide a comprehensive commentary on the process, procedure and (litigious) issues faced by practitioners conducting insolvency related litigation. The second edition particularly was necessary given the changes in the UK of the Insolvency Rules 2016, and the new 2018-Practice Direction on Insolvency Proceedings. The editors claim that there is nothing else on the market that presents a similar packet of legal knowhow, filled with practical guidance to the most important court applications on this specialist area of insolvency practice. As a continental European, indeed, similar books in e.g. Germany, Belgium and the Netherlands are absent.
The treatment per theme is short but profound. In 26 chapters all matters on how to apply, who is allowed to apply, which court has jurisdiction, how to issue an application, evidence, case management, costs, preparing for hearings and appeals are touched upon, with clear references to the applicable law and rules throughout, and including references to over 1000 court cases. This is a clear reflection of a legal system build on precedents. Even the way judges are addressed, different for District judges and High Court judges, is explained. The result is a practical, focused coverage of the mechanics of litigation in insolvency proceedings, completely updated in line with the new Rules 2016 and 2018 practices.
Jurisdiction under the EU Insolvency Regulation 2105 is explained, be it without the working of the rather complex presumptions set out in Article 3 EIR 2015. It is argued that ‘any company’, in case its COMI is in the UK, can be wound up, with the exclusion of a Scottish company, whose COMI is in England and Wales. It must be wound up in Scotland. Because Article 120 Insolvency Act (as submitted) says so, or does the exclusion applies to all companies with registered seats in the EU?  Some 35 pages cover cross-border issues, with a combined treatment of the EIR 2015 and CBIR 2006, the English version of the UNCITRAL Model Law. Rightly, it clarifies that presently, as acknowledged  by the late 2017 version of the Chancery Guide, three sets of guidelines for cross-border court-to-court communications. A handy checklist of requirements for a recognition application under the CBIR finalises this chapter.  
The book provides detailed guidance on court practice and procedure and the principles of law relevant to insolvency litigation. Mediation in (pre-)insolvency conflicts as we see in pilots of several Dutch courts does not seem to have a role. Some more general topics are covered as well, such as funding of litigation by creditors or third parties and the position of an IOH, the duties owed to an IOH and how he or she can enforce these, conduction public or private examinations or how to challenge an IOH or the explanation of rules regarding prohibited names for businesses that are run by the same persons that were in charge of an insolvent company (‘phoenix companies’). In all, a detailed guidance of the whole armoury of aspects of litigation, including litigation against an insolvent defendant, limitation, costs and funding issues, litigation by office holders and their approach to litigation and the types of application that arise in insolvency cases.
The editors hope the book is a useful resource for the profession at large. I do not see a reason to doubt this, rather would like to signal professionals in other jurisdictions to take a good look at it and draft a similar guidance for their insolvency practices. The book concludes with an index, prepared using Sweet and Maxwell’s Legal Taxonomy, explaining: 'Readers may find some minor differences between terms used in the text and those which appear in the index.' Eh? Doesn’t this make the main text an obscure picture? Is this a ‘robot’ entering into the process of writing a manuscript for a book?

Sarah McLennan, Adam Deacock (eds.), Insolvency Litigation: A Practical Guide, 2nd Edition, Sweet & Maxwell, ISBN  9780414066366

Book information:

Note: this book I received free of charge from the publisher with the request to announce it or to review it on my blog at

2018-11-doc5 Wedn 5 December Leiden - Restructuring of Corporate Groups

The European Law Institute (ELI) and Business and Liability Research Network (BLRN) of the Leiden Law School will organise a conference on Restructuring of corporate groups in the afternoon of 5 December 2018. The ELI’s Instrument on Rescue of Business in Insolvency Law drafted under the leadership of Prof Em Bob Wessels (Leiden University, The Netherlands) and Prof Stephan Madaus (Halle-Wittenberg University, Germany) is the starting point for discussions on the treatment of insolvent corporate. The 400-pages report acompanying the ELI Instument can be found at The co-reporters Bob Wessels and Stephan Madaus will introduce the ELI Instrument and the results of this European study with respect to restructuring of corporate groups in Europe. Prof Joeri Vananroye (KU Leuven, Belgium) will discuss Belgian perspectives of corporate restructuring and Prof Reinout Vriesendorp (Leiden University, The Netherlands) will elaborate on issues of director’s liability. Leiden Law School researchers Jessie Pool, Ilya Kokorin and Gert-Jan Boon will present a case study on corporate groups. The ELI Instrument on Rescue of Business in Insolvency Law has been unanimously adopted by the ELI bodies in September 2017. Based on extensive national reports, the reporters prepared a report with some 115 recommendations on the rescue of businesses in distress. In this EU-wide study they also looked into the treatment of corporate groups across Europe. It will be published by Oxford University Press.
Conference information: the conference will take place on Wednesday 5 December 2018, from 14:00 until 17:30 in the Academiegebouw of the Leiden University (Rapenburg 73, Leiden, The Netherlands). Attendance is free of charge. For Dutch attorneys-at-law who wish to obtain 3 NOvA PE-points for attending this conference, a fee of EUR 250 is applicable. For more information on programme and registration, see or contact

2018-11-doc4 Faillissement, leegstandschade en bankgarantie

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog ( om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht II, 5e druk, te sturen naar: Gelieve dit te doen voor 17 november 218. Nu het volgende onderwerp:

[2519j] Overeengekomen schadevergoedingsbeding (vervolg). HR 2017 Hansteen/Verweil q.q. Een voorlopig einde aan het thema vergoeding van gederfde huurinkomsen (leegstandschade) bij voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst wegens het faillissement van de huurder wordt in een arrest van februari 2017 vastgelegd, zie HR 17 februari 2017:HR:2017:278; JIN 2017/56; RI 2017/42; JOR 2017/117; NJ 2017/142, nt. Verstijlen; Van Strijen, TvI 2017/26; Smidts van Oyen en Windt, in: Ondernemingsrecht 2017/130. Dit is de casus.
Bouwgros B.V. huurde van Hansteen Netherlands B.V. (Hansteen) een bedrijfspand. Op verzoek van Bouwgros B.V. heeft ABN AMRO Bank N.V. ten gunste van Hansteen een abstracte bankgarantie afgegeven voor € 881.932,80. Dit bedrag staat gelijk aan twaalf maanden huur inclusief BTW. Bouwgros is in staat van faillissement verklaard en de curator heeft op grond van art. 39 de huurovereenkomst opgezegd. Hij heeft daarbij een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. ABN AMRO heeft op grond van de bankgarantie het gehele bedrag van de bankgarantie aan Hansteen betaald, maar de bank heeft haar vordering uit hoofde van de door Bouwgros aan haar verstrekte contragarantie verrekend met een op een door Bouwgros bij ABN AMRO aangehouden bankrekening geblokkeerd creditsaldo. Het Amsterdamse hof heeft geoordeeld dat Hansteen ongerechtvaardigd is verrijkt nu zij door een met doel en strekking van art. 39 strijdige transactie betaling ten laste van de boedel heeft verkregen. In cassatie wordt geklaagd over de wijze van toepassing van het hof van art. 39.
De Hoge Raad stelt voorop (en ten dele herhaalt) de arresten Aukema q.q./Uni-Invest (par. 2519h e.v.) en Romania (par. 2519i). Ik vat zijn overwegingen samen:
1 de op de voet van art. 39 lid 1 gerealiseerde opzegging is een regelmatige wijze van beëindiging van de huurovereenkomst die jegens de faillissementsboedel geen recht doet ontstaan op schadevergoeding wegens gemis van de huur die verschuldigd zou zijn na de datum waartegen volgens dat artikel kan worden opgezegd, ook niet ingeval deze schadevergoeding contractueel is bedongen.
2 art. 39 berust blijkens zijn totstandkomingsgeschiedenis op een afweging van enerzijds het belang van de boedel bij voorkoming van het oplopen van schulden ter zake van niet langer gewenste huurverhoudingen, en anderzijds het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs. Het resultaat van deze belangenafweging kan niet worden ontgaan door een andersluidend beding.
3 deze afweging heeft echter alleen betrekking op de verhouding tussen verhuurder en de boedel. De op die afweging berustende regeling van art. 39 strekt niet mede ter bescherming van het belang van de gefailleerde.
4 een beding waarbij de huurder zich heeft verplicht tot vergoeding van de schade die de verhuurder lijdt door een voortijdig einde van de huurovereenkomst als gevolg van het faillissement van de huurder is dan ook niet nietig jegens de gefailleerde huurder zelf.
5 ingeval de huurovereenkomst wordt opgezegd op de voet van art. 39 heeft genoemd beding alleen geen effect jegens de boedel. De daaruit resulterende vordering komt niet in aanmerking voor verificatie in het faillissement van de huurder en kan evenmin op andere wijze ten laste van de boedel worden gebracht.
6 in het geval een derde de nakoming van de bedoelde vordering heeft gegarandeerd, brengen het faillissement van de huurder en een opzegging van de huurovereenkomst op de voet van art. 39 geen verandering in de verplichtingen uit die garantie, tenzij anders is bedongen.
7 voor de eventueel uit de nakoming van de garantie voor de derde voortvloeiende regresvordering op de gefailleerde huurder geldt dat deze niet kan worden uitgeoefend jegens de failliete boedel van de huurder. Daarbij maakt niet uit op welke wijze verhaal op de boedel wordt gezocht; de aard van de vordering staat – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de afweging die aan art. 39 ten grondslag ligt – eraan in de weg dat deze ten laste van de boedel wordt gebracht. Indien de voorwaarden van de garantie dat toestaan, kan de garant hieraan een verweermiddel ontlenen jegens de verhuurder.
Zie voor literatuur: Smits, TvCu 2017, p. 3 e.v.; Dullaart, Bb. 2017/47.

[2519k] Leegstandschade en bankgarantie. Na de verduidelijking van het juridische kader waarbinnen tot vergoeding van leegstandschade kan worden overgegaan (deze kan niet ten laste van de boedel worden gebracht en evenmin worden geverifieerd) komt de Hoge Raad toe aan de stelling van Hansteen dat zij gerechtigd was de leegstandschade onder de bankgarantie te claimen en dat het hof van de juistheid van deze stelling is uitgegaan. Dit uitgangspunt geldt ook in cassatie en dientengevolge, concludeert de Hoge Raad, brengt de omstandigheid dat ABN AMRO, nadat zij aan haar betalingsverplichting ter zake had voldaan, verhaal heeft genomen op de boedel van Bouwgros – in weerwil van hetgeen hiervoor onder 1-7 in samenvatting is overwogen – en dat de curator zich hiertegen niet heeft verzet, niet mee dat Hansteen ongerechtvaardigd is verrijkt ten laste van de boedel. De ontvangst van een betaling waarop Hansteen in haar verhouding tot de bank gerechtigd was, werd immers niet ongerechtvaardigd doordat ABN AMRO verhaal nam op de boedel en de curator dit niet verhinderde. Het middel, zo oordeelt de Hoge Raad, klaagt dan ook terecht dat het andersluidende oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Hieruit valt te concluderen dat de curator niet de verhuurder, maar alleen de garant kan aanspreken die het desbetreffende bedrag ten laste van de boedel brengt. Deze is het enige aanspreekpunt. Voor de praktijk betekent dit dat aan de formulering van garanties (zonder regresmogelijkheid op de verhuurder) aandacht moet worden gegevn, voorzover reeds in het bijzonder banken nog zullen overgaan tot het stellen van bankgaranties voor leegstandschade, vergelijk hierbij Rosbeek, TvI 2014/17; Bertrams, FIP 2016, p. 167 e.v., ook verschenen in Tijdschrift Huurrecht in Praktijk 2016/207.
In de verwijzingsprocedure (Hof Den Haag 3 juli 2018, ECLI:GHDHA:2018:1559; RI 2018/76) betwist de curator dat de bankgarantie tevens was afgegeven voor leegstandschade en betwist hij ook de omvang van de schade. Uitleg van huurovereenkomst in samenhang met haar tekst leidt bij het hof tot het resultaat dat de leegstandschade onder de afgegeven bankgarantie valt. Het hof wijst de betwisting ten aanzien van de omvang van de schade af, maar kent de curator wel een recht op vergoeding van de waarde van magazijnstellingen toe, die nog aanwezig waren in het gehuurde (ruim € 100.000, inlusief BTW).
Uitbetaling van bankgaranties. Zie voor perikelen: Rb. Noord-Holland 25 november 2015, ECLI:RBNHO:2015:11663; JOR 2016/245, nt. Van der Beek; Hof Den Haag 14 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1846; JOR 2016/344.
Concerngaranties. Zie aangaande concerngaranties ter zake van de huurtermijnen over de periode na opzegging door de curator (tot het einde van de huurovereenkomst): Rb. Midden-Nederland 28 juni 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3380; Rb. Midden-Nederland 18 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4013; RI 2016/92; JOR 2017, nt. Dullaart

[2519l] ROZ-model bankgarantie 2018. Op basis van deze rechtspraak is het model van de Raad voor de Onroerende Zaken (zie par. 2519g) aangepast. Het luidt op het punt van de van de bankgarantie ‘uitgesloten vorderingen’ aldus:
‘Ondergetekende verplicht zich voorts om als eigen schuld aan verhuurder of zijn rechtverkrijgende(n) te zullen vergoeden alle schade, door hem te lijden, doordat de huurovereenkomst in geval van faillissement, of aan huurder verleende surséance van betaling, ingevolge opzegging tussentijds zal worden beëindigd. Deze verplichtingen van ondergetekende worden beperkt tot een maximumbedrag van € [nader in te vullen]. Als sprake is van faillissement van de huurder, als aan de huurder surseance van betaling is verleend, of als de huurder onder een wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) valt, dan kan de huurovereenkomst tussentijds door opzegging op grond van artikel 39, artikel 238 of artikel 305 van de Faillissementswet worden beëindigd.
Wordt de huurovereenkomst door opzegging op grond van één van die artikelen beëindigd, dan zijn de volgende vorderingen uitgesloten van deze bankgarantie:
a. de vorderingen tot schadevergoeding voor gemis van de huur die verschuldigd zou zijn na de beëindiging van de huurovereenkomst door opzegging op grond van artikel 39, artikel 238 of artikel 305 van de Faillissementswet, en
b. de tussen de huurder en de verhuurder overeengekomen (schade)vergoedingsvorderingen die zien op gemiste huur als bedoeld onder a.’
Zie voor de tekst van het model en een daarbij horende handleiding De tekst inzake de van de bankgarantie ‘uitgesloten vorderingen’ is in overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) tot stand gekomen. Op twee onderdelen van de tekst (voor het doel van de werking in art. 39 situaties niet relevante onderdelen) verschillen de Raad en NVB (nog) van mening.


2018-11-doc3 Insolventierecht is geel

Deze maand (november 2018) is het eerste deel van mijn serie Wessels Insolventierecht verschenen. Het meest in het oog springend is haar kleur. Dat is in het jargon: Kluwer insolventie-geel. De vorige drukken presenteerden zich wat rustiger: saai, maar degelijk groen/grijs, latere drukken bordeauxrood of paarsblauw. Met het nieuwe licht, ook een nieuw geluid. De vijfde druk van Deel I over Faillietverklaring gaat grofweg over art. 1-19a Faillissementswet. Tot mijn grote genoegen is dit Deel I door gekozen tot boek van de maand november, zie
Op de aangegeven wijze worden de andere delen verkaveld; telkens een gedetailleerd actueel commentaar op een onderdeel van de wetgeving in één deel. Novum 1. Dus ('da's logisch', zou Cruyff zeggen) met het oog op de in de toekomst te verwachten nieuwe wetgving staat er (voor 2012 of 2013) ook een nieuw deel XI in de steigers, met de de werktitel ‘Buiten faillissement en surseance van betaling’. Het zal die onderdelen omvatten die door de wetgever zijn voorgesteld onder een nieuwe Titel IV in de Faillissementswet (met het opschrift ‘Buiten faillissement en surseance van betaling’). Deze titel bevat onder meer – als alles doorgaat – regels over de aanwijzing van een beoogd curator en voor de homologatie van een onderhands akkoord ter voorkoming van een faillissement. Materieel zijn dit thema’s die systematisch goed in andere delen zouden passen (in het bijzonder in de delen I en VI). De opbouw van de huidige Faillissementswet vormt in de serie echter de basis voor een artikelsgewijze behandeling van het insolventierecht. Dat geldt dus ook voor dit deel XI. Door middel van (terug-)verwijzingen naar andere delen zullen relevante onderwerpen bij dit nieuwe voorgenomen deel worden betrokken. Novum 2. De serie kent een enige maanden geleden geïnstalleerde hoofdredactie.
De hoofdredactie van de serie Wessels Insolventierecht bewaakt de kwaliteit en onderlinge samenhang van de delen in de serie. De hoofdredactie neemt samen met de uitgever beslissingen over de gewenste herzieningen, aan te trekken bewerkers, mogelijk nieuwe delen en andere belangrijke ontwikkelingen die de serie aangaan. De hoofdredactie voor de serie Wessels Insolventierecht, 5e druk, bestaat uit mr. dr. B.J. Engberts, raadsheer in het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; voormalig voorzitter Recofa, prof. mr. T.T. van Zanten, advocaat/partner Wijn & Stael, Utrecht; hoogleraar Overeenkomst en Zekerheid, Rijksuniversiteit Groningen, en ikzelf, met de functie-aanduiding emeritus hoogleraar Internationaal insolventierecht Universiteit van Leiden. Ik was van 2007-2014 aan de Leidse Universiteit verbonden, daarvoor van 1988-2008 als hoogleraar burgerlijk recht en handelsrecht aan de VU te Amsterdam. Ik denk dat ik sedert 1995 slecht 1 dag in de week hoogleraar was; daarnaast voerde ik een commercieel-juridische praktijk, sedert 2005 vanuit mijn kantoor in Dordrecht. Het werk: vooral advisen en opinies over (internationaal) insolventierecht en optreden als expert witness (in meer dan tien buitenlandse rechtbanken), maar ook arbitrages. Hoe dat verder zij, de advies- en opiniepraktijk heb ik gaandeweg gedurende de laatste jaren neergelegd.
Novum 3. Als je nadenkt over de opzet van de gehele serie dan dient deze het gehele insolventierecht, en haar nu in te schatten toekomst, te weerspiegelen.
Het insolventierecht, dat zijn weerslag in de Faillissementswet heeft, kent in de toekomst met vier sets van regels (voor faillissement, surseance van betaling, schuldsanering natuurlijke personen en voor situaties ‘buiten faillissement en surseance van betaling’) duidelijk meer gezichten. Er is voor de 5e druk gekozen voor een aanpak die recht beoogt te doen aan de differentiatie in (pre-)insolventieprocedures en hun verschillende privaatrechtelijke uitwerkingen, hun rechtshistorische achtergrond, hun maatschappelijke dimensie en hun financieel-economische inbedding. Als andere nova (naast de kleur!) noem ik:
Processuele differentiatie. Pregnanter dan voorheen wordt aandacht gegeven aan een breder palet aan doelstellingen dat met de verschillende (buiten-)insolventierechtelijke instrumenten wordt beoogd en op welke wijze deze procedureel gestalte krijgen.
Privaatrechtelijke verankering. Doordat procedures buiten het formele insolventierecht, maar wel daarmee samenhangend het thema ‘insolventie’ uit haar door velen zo geziene isolement halen, zal de serie hechter in het algemene burgerlijk recht, in het bijzonder het vermogensrecht, het rechtspersonenrecht en het burgerlijk procesrecht, worden verankerd. Ik neem me daarbij voor om meer dan voorheen speciaal aandacht te geven aan de jurisprudentie van de Hoge Raad op het terrein van het burgerlijk procesrecht en haar doorwerking in insolventieprocedures of op het terrein van het vermogensrecht en de invloed daarvan op materiële vragen van insolventierecht.
Toekomstige ontwikkelingen. Waar de eerste drukken van dit werk vooral het accent legden op het in werking getreden, positieve recht, wordt met het verschijnen van het eerste deel in de 5e druk meer dan tot nu het geval was aandacht gegeven aan Nederlandse ontwerp-wetgeving en Europese voorstellen op het terrein van (convergentie en harmonisatie van) het recht inzake insolventie en herstructurering. Dit geschiedt door korte verwijzingen op te nemen op die plaatsen waar deze ontwikkelingen het inzicht in het insolventierecht kunnen verhogen. In Wessels Insolventierecht I I is verwerkt de Wet Modernisering faillissementsprocedure (Kamerstukken 34 740), zoals op 26 juni 2018 aangenomen door de Eerste Kamer, en de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars (Kamerstukken 34 842), zoals deze met algemene stemmen op 12 juni 2018 door de Tweede Kamer is aanvaard.
Maatschappelijke (Europese) signalen. Diverse organisaties spelen in Nederland of in Europa een kenmerkende rol bij de vormgeving van nieuwe wetgeving, het formuleren van praktijkregels of het bieden van (niet-bindende) aanbevelingen (soft law). Dit zijn vaak bronnen waar in de praktijk niet altijd aan wordt gedacht, maar die deze praktijk wel beïnvloeden en dat niet alleen waar hard law zwijgt. In Nederland valt te denken aan Recofa (werkgroep van rechters-commissarissen in faillissement) en INSOLAD (de Vereniging voor Insolventierecht Advocaten, die zich bezighouden met alle aspecten van faillissementen en herstructurering). Daarbuiten denk ik aan het European Law Institute (ELI), in het bijzonder aan het in september 2017 gepubliceerde rapport ‘Business rescue in Insolvency Law’, en de medio 2016 van start gegane Conference of European Restructuring and Insolvency Law (CERIL), een onafhankelijke Europese denktank op het terrein van herstructurering en insolventie ( In de 5e druk worden opvattingen van belangrijke spelers in het veld ten tonele gevoerd. Langs deze weg zal ook, zij het beknopt, aandacht aan rechtsvergelijking worden gegeven voor zover deze bijdraagt tot een betere kennis van (de herkomst van) onderdelen van het proces van voortgaande harmonisatie van het (pre-)insolventierecht in Europa.
Financieel-economische aspecten. Relevante statistische, economische, financiële en soms multidisciplinaire gegevens zullen ruimhartiger worden verwerkt dan voorheen. Zij kunnen ondersteunen in de dagelijkse praktijk van onderhandelen en zoeken naar oplossingen voor (dreigende) conflicten, de maatschappelijke relevantie van diverse regelingen in perspectief plaatsen of de noodzaak van aanpassing of herziening van wetgeving scherper in beeld brengen.
Tenslotte is nog een vernieuwing:
Gebruiker ondersteund. Aangezien ik altijd de kwaliteit van mijn publicaties en daarbij gebruikte bronnen probeer te verbeteren, heb ik begin 2017 voor Deel X International Insolvency Law Part II, een nieuw element aan het schrijfproces toegevoegd door te communiceren met personen die actief zijn op het gebied van Europese herstructurering en insolventie. Via mijn blog ( en via LinkedIn heb ik conceptteksten van Part II gepubliceerd met de uitnodiging aan degenen die geïnteresseerd zijn op het desbetreffende onderwerp betrekking hebbende literatuur, uitspraken of praktijkervaringen te sturen of commentaar te leveren op deze conceptteksten. In een periode van vier maanden heb ik acht keer een uitnodiging gepost, met het verzoek om binnen twee weken nuttige informatie of opmerkingen aan mij te sturen. Incentives om op deze wijze bij te dragen aan het ‘live’-debat over mijn teksten zijn de zekerheid dat (i) substantiële bijdragen worden erkend door de namen van de betrokken auteurs te vermelden en dat (ii) in geselecteerde gevallen de gemailde reacties kunnen worden aangehaald in de tekst, samen met de erkenning van de auteur. De toen uit ongeveer dertig landen ontvangen reacties, beschrijvingen van praktijkgevallen, literatuurbronnen en zelfs de ontwerptekst van een proefschrift waren de vrucht van het toen geïntroduceerde ‘deliberate public participatory drafting process’ dat mij goed bevallen is. Om deze reden is besloten dit voor de 5e druk van de serie voor alle delen ook toe te passen. Lees het Woord vooraf bij Deel I welke personen ik i het bijzonder dank zeg voor hun bijdragen.
Tot zover de nova. Now, back to work!

2018-11-doc1 Over verhaal, uitwinning en rangorde

Van Boom, hoogleraar civiel recht aan de Universiteit Leiden, schreef een heldere stidiepocket over kernpunten in het Nederlandse materieel beslag- en faillissementsrecht. Centraal staan de leerstukken van verhaal, uitwinning en rangorde. Na een korte inleiding volgen hoofdstukken over rangorde, hoofdlijnen van verhaalsbeslag, bijzonderheden daarvan, faillissement en beslag, de positie van de fiscus en benadeling in verhaalsmogelijkheden. Het zijn onderwerpen die uit vermogensrechtelijk perspectief worden behandeld en de materiele kanten van beslag betreffen. Meestal worden kernachtig per hoofdstuk de hoofdputen uiteengezet, waarna enkele complicaties worden uitgediept.
De auteur introduceert eerst de termen die een rol spelen, zoals verhaalsvermogen, excutie, executoriale titel of verhaalsbeslag aan de hand van enkele casus. De uiteenzettingen krijgen een vervolg met de lastige materie van rangorde, met uitleg over concursus, concurrente vorderingen, bijzondere en algemene voorrechten en andere in de wet aangegeven gronden van voorrang, bijvoorbeeld het voorrangsrecht van de huurder of de pachter (art. 3:246 lid 7 BW) en het retentierecht (art. 3:292 BW). In dit hoofdstuk past, hetgeen de auteur ook doet, een korte duiding van de achtergestelde vordering. Duidelijk worden de algemene hoofdlijnen en de bijzonderheden van verhaalsbeslag gepresenteerd, welke goederen voor beslag vatbaar zijn en welke niet, het rechtskarakter van beslag en haar rechtsgevolgen. Door gebruikmaking van korte casus en vrij uitvoerige voetnootverwijzingen naar wetsbepalingen en rechtspraak ontstaan korte, maar duidelijke overzichtjes van de werking van de ‘Vormerkung’ (art. 7:3 BW), derdenbeslag en haar blokkerende werking en bijvoorbeeld de verweermiddelen van de derde-beslagene. Voor de student een prima introductie, voor de gevorderde een mooie herhaling, zoals over ‘Beslag op toekomstige vorderingen’, puntig in vier pagina’s uiteengezet.
Faillissement wordt in haar traditionele benadering als instrument van verhaal, rangregeling en uitwinning uitgewerkt. Ook hier weer kort de kernbegrippen, zoals concursus, paritas, separatisme, fixatie en beschikkingsonbevoegdheid van de gefaillleerde, met een kernachtige beschouwing van art. 35 Fw, het vervallen van gelegde beslagen ex art. 33 lid 2 Fw, met behandeling van complicaties als het feit dat op het moment van beslaglegging en faillissement door de beslagene (de latere gefailleerde) nog een beschikkingshandeling wordt verricht. De auteur vervolgt met de indeling van vorderingen en schulden bij faillissement, inclusief de post-faillissementsschuld (boedelschuld), met een korte duiding van het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. Ik vermoed dat de tekst van het boekje al was afgesloten om nog met het arrest Credit Suisse/OSX (HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424) rekening te kunnen houden. Het arrest bevat een herformulering ten opzichte van Koot Beheer/Tideman q.q. Goede teksten voor student (en overzichtelijke herhaling voor de praktijk) zijn onderwerpen als faillissement en betalingstransactie, de positie van de fiscus en – verrassend om dat onderwep in deze publikatie behandeld te zien – de benadeling in verhaalsmogelijkheden (pauliana en onrechtmatige daad).
Al met al geeft het boek inzicht in de harde kanten van het vermogensrecht, biedt het steun aan studenten die met deze onderwerpen zoals uitgewerkt in uitvoerige studieboeken worstelen en vormt het een mooie inleiding voor jonge praktijkjuristen dan wel een bondige opfrissing voor hen bij wie die kennis wat is weggezakt.

W.H. van Boom, Verhaal, uitwinning en rangorde, Den Haag: Boom juridisch 2018, 135 pp. ISBN 978-94-6290-535-1. Bestelinformatie:

Noot: dit boek ontving ik kosteloos van de uitgever met het verzoek om het aan te kondigen of te te bespreken op mijn blog op