Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog 2018

2018-05-doc5 Pluraliteitsvereiste

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

[1192a] 2017: Hoge Raad houdt vast aan pluraliteitsvereiste. Ik gaf in par. 1190 aan dat HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488 (Säkaphen GmbH/Carrecon-Piguillet B.V., hierna: ‘S’ en ‘C’) aan het pluraliteitsvereiste vasthoudt. In de zaak is C in maart 2014 bij arbitraal vonnis veroordeeld tot betaling aan S van ruim € 2 miljoen. In augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis, maar executie bleek vergeefs. S heeft vervolgens verzocht C failliet te verklaren. De rechtbank wijst het verzoek af en het hof in Den Haag (zie Hof Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2443) heeft die beschikking bekrachtigd. Het overwoog onder meer dat niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat C in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Het staat in deze zaak vast dat partijen niet van mening verschillen over het feit dat niet is voldaan aan het volgens vaste jurisprudentie geldende pluraliteitsvereiste. Het hof ziet echter in de door S aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om van die vaste rechtspraak af te wijken. In cassatie wordt aangevoerd dat het afschaffing van het pluraliteitsvereiste in de rede ligt. Een zestal gronden wordt aangevoerd, die alle in de literatuur zijn ontwikkeld. Het zijn: (i) het pluraliteitsvereiste volgt niet uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire stukken, (ii) het in de rechtspraak gehanteerde argument voor het stellen van de eis, te weten dat het faillissement tot doel heeft de vereffening in het belang van de gezamenlijke schuldeisers, waarmee niet strookt het faillissement uit te spreken indien er één schuldeiser is, heeft anno 2016 zijn waarde verloren, (iii) in de praktijk is in de regel wel degelijk sprake van pluraliteit van schuldeisers; de aanvrager van het faillissement weet echter niet het bestaan van andere schuldeisers aannemelijk te maken, (iv) het pluraliteitsvereiste werkt misbruik in de hand omdat het een schuldenaar in financiële moeilijkheden prikkelt om het bestaan van andere schuldeisers onder de pet te houden of om (kleinere) steunvorderingen te betalen met uitzondering van de (vaak grote) vordering van de aanvrager, om een faillissementsaanvraag af te wenden of uit te stellen, (v) de curator staan diverse bijzondere bevoegdheden ten dienste om actief op te sporen en te genereren en om in dat kader onoorbare gedragingen van de schuldenaar te redresseren, welke bevoegdheden een individuele crediteur niet heeft; het valt niet in te zien waarom een schuldeiser alleen van die bevoegdheden zou kunnen profiteren indien hij aannemelijk weet te maken dat hij medeschuldeisers heeft, en (vi) de pluraliteitseis voor faillietverklaring is in internationaal verband een vreemde eend in de bijt, met verwijzing naar het recht van België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde States. De conclusie van deze principieel uitgewerkte klacht in cassatie is dat in het kader van een faillissementsaanvraag slechts de vraag beantwoord moet worden of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (art. 1 lid 1 en art. 6 lid 3), waarbij pluraliteit van schuldeisers geen noodzakelijke voorwaarde is.

[1192b] HR houdt vast aan pluraliteit, met twee zwakke argumenten. Met deze klacht, zo geeft de Hoge Raad aan, wordt beoogd de Hoge Raad te doen terugkomen van het krachtens zijn vaste rechtspraak voor het uitspreken van een faillietverklaring geldende vereiste dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft. De Hoge Raad geeft aan dat hij laatstelijk zo beslist heeft in HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681 (zie par. 1189 hierboven) en houdt het kort: ‘De klacht faalt. De Hoge Raad ziet geen aanleiding van zijn vaste rechtspraak terug te komen. De voor een faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering, vindt volgens die rechtspraak zijn rechtvaardiging hierin dat het faillissement ten doel heeft het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts één schuldeiser heeft. In dit verband is mede van belang dat voornoemd doel ook in het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht tot uitgangspunt wordt genomen, en dat het pluraliteitsvereiste hierin niet ter discussie wordt gesteld. Dat de wetgever het pluraliteitsvereiste onderschrijft, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van het in 2012 ingevoerde art. 212ha Fw.’

Ik verwijs naar de behandeling van de in de cassatieklacht aangevoerde argumenten naar de fraaie conclusie van A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:HR:2017:488, die strekte tot verwerping van het cassatieberoep. Zij haalt ook de literatuur aan die het laten vallen van het pluraliteitsvereiste verdedigde. Zie ook het verdiepende artikel van De Kloe, AA maart 2018, p. 204 e.v., die zich geen voorstander betoont van afschaffing van het pluraliteitsvereiste, echter een nuancering bepleit door in gevallen van misbruik een beroep op het vereiste ter zijde te schuiven. Ik wijs op Rb. Den Haag 14 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7369, die samenvat dat verzoeker heeft aangevoerd dat faillietverklaring ook zonder steunvordering mogelijk zou moeten zijn en dat de ‘… bestendige lijn in de rechtspraak toch eens doorbroken zou moeten worden. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat hij al lange tijd op zijn geld wacht en dat hier sprake is van een niet bona fide onderneming. Die gronden zijn onvoldoende om een uitzondering te maken op de bedoelde bestendige lijn. Het verzoek tot faillietverklaring dient te worden afgewezen.’

Zie voor enkele vindplaatsen van HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488 (Säkaphen GmbH/Carrecon-Piguillet B.V.), RI 2017/41; JOR 2017/183, nt. Van Eeden-Harskamp. Voor beschouwingen, zie Kitslaar, Jutd 2017/0063; Tollenaar, TvI 2017/14; De Jong, TvCu 2017 2017, p. 51 e.v. De rechtspraak volgt het arrest van de Hoge Raad, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5510; Hof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8162; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8735.

Argumenten Hoge Raad. De Hoge Raad steunt de stellige bevestiging van zijn rechtspraak op drie argumenten. Het eerste is bekend: de voor een faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering wordt gerechtvaardigd door het feit ‘… dat het faillissement ten doel heeft het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts één schuldeiser heeft.’ Zie par. 1191.

Op het tweede argument (‘In dit verband is mede van belang dat voornoemd doel ook in het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht tot uitgangspunt wordt genomen, en dat het pluraliteitsvereiste hierin niet ter discussie wordt gesteld’) is het nodige af te dingen. Het wetgevingsprogramma is vanuit drie pijlers opgezet (fraudebestrijding; modernisering faillissementsprocedure; stimuleren ondernemingscontinuïteit). Het pluraliteitsvereiste is een principieël beginsel dat met het doel van het faillissement te maken heeft. Een discussie over doelstellingen van insolventiemaatregelen heeft wel plaatsgevonden c.q. vindt plaats naar aanleiding van de voorstellen voor wetgeving inzake continuïteit van ondernemingen, zij vindt echter niet in samenhang met doelstellingen van andere insolventiemaatregelen plaats. Coherentie in de gehele systematiek van de insolventiewetgeving, waarop nagenoeg eensluidend door de literatuur wordt aangedrongen, zou tot een herwaardering (waaronder ook expliciete vastlegging in de wet) van het pluraliteitsvereiste kunnen leiden.  

Ook het derde argument (‘Dat de wetgever het pluraliteitsvereiste onderschrijft, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van het in 2012 ingevoerde art. 212ha Fw’) is zwak. In de door de A-G in haar conclusie aangehaalde toelichting bij de invoering van art. 212ha (MvT, Kamerstukken II, 33 059, nr. 3) komt het woord ‘pluraliteit’ of ‘pluraliteitsvereiste’ niet voor. In deze MvT geeft de wetgever er evenmin blijk van te hebben nagedacht over pluraliteit. Dat was ook niet nodig omdat art. 212ha onderdeel uitmaakt van een geheel eigen stelsel, namelijk het faillissement van een bank (zie par. 1516), de bepaling de uitdrukking is van bijzondere interventiewetgeving ten aanzien van financiële ondernemingen (par. 1518), waarbij de faillissements-test ten aanzien van de schuldenaar (een bank) ook een andere is (par. 1526f, 1543b en 1543e) en ook de summierlijke toets afwijkt van die bij een gewoon faillissement (par. 1543o).

[1192c] 2018: HR bevestigt nogmaals pluraliteitsvereiste. Zie in dit verband ook HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:774. De casus: tijdens een procedure in hoger beroep tot faillietverklaring is geld gestort op een derdenrekening. Onder de voorwaarde dat het faillissementsvonnis wordt vernietigd, zal het geld worden aangewend om de faillissementskosten en de steunvorderingen integraal te voldoen. De vraag die voorligt is of in een dergelijk geval nog wel voldaan is aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Omdat de steunvorderingen pas worden voldaan ná de vernietiging van het faillissement, bestaan de steunvorderingen nog ten tijde van de beslissing op de faillissementsaanvraag. De motivering klinkt bekend: ‘De voor een faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering (het pluraliteitsvereiste), wordt gesteld omdat het faillissement ten doel heeft het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van iemand die slechts één schuldeiser heeft. (zie onder meer HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488, rov. 3.3.2, en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, NJ 2014/407 (ABN Amro/Berzona), rov. 3.4.1).’

++++++++++

Tot zover. Ook op de concepttekst in http://www.bobwessels.nl/blog/2018-05-doc4-kanttekeningen-bij-art-362-fw kan nog commentaar worden geleverd.

2018-05-doc4 Kanttekeningen bij art. 362 Fw

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

[1068j] Aanpassingen 5e druk. Zoals ik in het Woord vooraf in dit deel van de 5e druk van de serie Wessels Insolventierecht aangaf groeit het insolventierecht, dat zijn weerslag in de Faillissementswet heeft, in enkele jaren uit tot vier sets van regels (voor faillissement, voor surseance, voor de regeling van schuldsanering van natuurlijke personen en voor situaties ‘buiten faillissement en surseance van betaling’). Dat dwingt ertoe in deze serie mede in ogenschouw te nemen de differentiatie in deze (pre-)insolventieprocedures en hun verschillende privaat- en procesrechtelijke uitwerkingen. De logische consequentie is dat ik per afzonderlijke procedure meer aandacht vraag voor (i) processuele differentiatie, (ii) privaatrechtelijke verankering, (iii) toekomstige ontwikkelingen, (iv) maatschappelijke (Europese) signalen, en (v) financieel-economische en multidisciplinaire aspecten. Ik geef van alle een voorbeeld.

[1068k] Processuele differentiatie. De verwerking van het procesrecht in de Titels I (Faillissement), II (Surseance van betaling) en III (Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) van de wet verschilt van elkaar. In Titel I is een eigen stelsel van rechtsmiddelen ter zake van de faillissementsaanvraag opgenomen (art. 8-12) en kent bijvoorbeeld art. 67 lid 1 een eigen regeling van hoger beroep tegen een beperkt aantal beschikkingen. In Titel II zijn in het bijzonder twee eigen regelingen uitgewerkt: art. 282, dat betrekking heeft op de beperking van beroepsmogelijkheden tegen beschikkingen die door de rechter op basis van Titel II zijn gegeven, en art. 283, dat limitatief aangeeft welke verzoeken (‘verzoekschriften’, oud) moeten worden onderte­kend door een advocaat. Voor het instellen van beroep in cassatie is steeds de medewerking nodig van een advocaat bij de Hoge Raad. Zie verder Wessels Insolventierecht VIII 2014/8456 e.v. Voor de schuldsaneringsregeling in Titel III bepaalt art. 360 dat tegen de beslissingen van de rechter, ingevolge de bepalingen van Titel III gegeven, geen hogere voorziening open staan, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet (art. 360). Een groot deel van de verzoeken die ingevolge Titel III kunnen worden gedaan moeten door een in art. 5 bedoelde advocaat zijn ondertekend. Voor het instellen van beroep in cassatie is steeds de medewerking nodig van een advocaat bij de Hoge Raad (art. 361). Zie verder Wessels Insolventierecht IX 2017/9430 e.v.

De Algemene Termijnenwet heeft op alle drie de titels betrekking, maar – zie art. 362 lid 1 – zij is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de art. 39, art. 40, art. 238, art. 239 en art. 305. Art. 362 lid 2 bepaalt dat art. 261–297 Rv niet van toepassing zijn op verzoeken ingevolge de Faillissementswet.

[1068ka] Volledige terugbetaling staatssteun bij akkoord. Artikel 12 Wet terugvordering staatssteun (Stb. 2018, 75) voegt aan art. 362 een lid 3 toe, luidende: ‘3. De rechtbank weigert homologatie van een akkoord, bedoeld in deze wet, indien het akkoord niet voorziet in de terugbetaling van de staatssteun die ingevolge een Commissiebesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteun moet worden teruggevorderd’. In de MvT, Kamerstukken II, vergaderjaar 2016/17, 34 753, onder punt 6.3, is toegelicht dat de bepaling voortvloeit uit de rechtspraak van het Europese Hof (o.a. HvJ EU 11 december 2012, ECLI:EU:C:2012:781 [C-610/10, Magefesa]) over onvoorwaardelijke en effectieve terugbetaling van staatssteun in situaties van insolvabiliteit. De bepaling moet bewerkstelligen dat een akkoord als bedoeld in de wet niet kan worden goedgekeurd (gehomologeerd) door de rechter indien dat akkoord niet de volledige terugbetaling waarborgt van de staatssteun die ingevolge een Commissiebesluit moet worden teruggevorderd. De bepaling is in art. 362 geplaatst. Onder artikel 12 van genoemde wet wordt toegelicht dat de aard en de omvang van de betalingsverplichting wordt gegeven door het Commissiebesluit, bedoeld in art. 1 van de Wet terugvordering staatssteun. Het gaat hierbij ‘... onder meer om homologatie van een akkoord in faillissement (artikel 153 Fw), in surseance (artikel 272 Fw) en schuldsanering (artikel 338 Fw)’. De woorden ‘onder meer’ zijn onduidelijk. Er is gekozen voor plaatsing in een algemene bepaling van de wet, ‘… omdat hierdoor de bepaling op alle gevallen van toepassing is waarbij een akkoord door de rechter kan worden gehomologeerd, ook op basis van eventuele toekomstige regelingen.’ Kennelijk wordt gedoeld op de regeling in de voorziene Titel IV, hetgeen ook de woorden ‘onder meer’ zou verklaren. Nagegaan zou moeten worden of deze Europeesrechtelijke bijzondere terugvorderingsregeling ook van toepassing is op de situatie waarin Titel IV zal gaan voorzien, te weten situaties buiten surseance van betaling en faillissement. Datum van de inwerkingtreding van de wet: 1 juli 2018 (Stb. 2018, 79).

[...]

2018-05-doc3 Start bewerking serie Wessels Insolventierecht

Enige tijd geleden ben ik gestart met de bewerking en actualisering van alle tien delen in de serie Wessels Insolventierecht. Dat wordt dan de 5e druk van de serie. Deo volente, hoop ik deze tussen 2018 en 2022 te voltooien. Na bijna 20 jaar was het tijd om enkele bescheiden wijzigingen door te voeren. Ik noem kort: versterking privaatrechtelijke inbedding, verscherping procesrechtelijke signatuur en naast aandacht voor het positieve insolventierecht ook nagenoeg vaststaande komende Nederlandse wetgeving en Europese ontwikkelingen laten doorklinken. Zin om iets bij te dragen? In de 4e druk van Deel X in de serie (Wessels International Insolvency Law Part II), welk deel in het najaar van 2017 verscheen, heb ik een nieuw element aan het schrijfproces toegevoegd door te communiceren met personen die actief zijn op het gebied van Europese herstructurering en insolventie. Via mijn blog (www.bobwessels.nl) en via LinkedIn heb ik conceptteksten van Part II gepubliceerd met de uitnodiging aan degenen die geïnteresseerd zijn op het desbetreffende onderwerp betrekking hebbende literatuur, uitspraken of praktijkervaringen te sturen of commentaar te leveren op deze teksten. In het voorjaar van 2017 heb ik in een periode van vier maanden acht keer een uitnodiging gepost. Een incentive om op deze wijze bij te dragen aan het ‘live’-debat over mijn teksten is de zekerheid dat (i) substantiële bijdragen worden erkend door de namen van de betrokken auteurs te vermelden en dat (ii) in geselecteerde gevallen de gemailde reacties kunnen worden aangehaald in de tekst, samen met de erkenning van de auteur. De uit ongeveer dertig landen ontvangen reacties, beschrijvingen van praktijkgevallen, literatuurbronnen en zelfs de ontwerptekst van een proefschrift waren de rijke vrucht van het toen geïntroduceerde ‘deliberate public participatory drafting process’ dat mij goed bevallen is. Zie http://www.bobwessels.nl/blog/2017-08-doc5-4th-edition-intl-insolvency-law-part-ii-ready-for-launch/. Om deze reden is in overleg met uitgever Wolters Kluwer besloten dit voor de 5e druk van de serie ook toe te passen. Belangstelling? Hou dan mijn blog in de gaten en reageer via: info@bobwessels.nl. Alvast dank!

2018-05-doc2 Two lectures for IEEI in Athens

For IEEI in Athens last week, I gave 2 presentations. One on Business rescue in Europe (http://www.bobwessels.nl/blog/2018-05-doc1-19th-ieei-colloquium-16-18-may-2018-in-athens/) and a short overwiew of the legislative developments re the Recalibration of Dutch Bankruptcy Act. See some notes below.

Introduction
The Dutch Bankruptcy Act dates from 1896. It contains 3 proceedings: bankruptcy liquidation (faillissement), suspension of payments (surseance van betaling) and, since 1998, debt rescheduling natural persons (schuldsaneringsregeling natuurlijke personen).
Several efforts have been made, especially since the late 80s, to modernize the Act. As a result: consumer insolvency has been introduced, the bankruptcy liquidation proceedings suffer structurally (70%) from asset-less estates, the suspension of payments proceedings hardly are used, only as a stepping stone to liquidation (application only possible by the debtor; he starts too late).
A pre-draft for a fully new Insolvency Act, including legislative texts and Explanatory Notes, was developed between 2003-2007. I was one of the members of this Governmental Commission. It was received rather favourable, however, in 2011 the Minister of Security & Justice said: we can’t give it priority. Main reason: vested interests of financial community (banks) and the tax department of the government itself; lack of ambition.
Since 2012: Legislative Program Revision Bankruptcy Act, which rests on three pillars: combating insolvency fraud, modernizing insolvency procedures and strengthening the possibility for restructuring of companies. Presented as a three-pillar structure: the fraud pillar, the modernization pillar and the reorganization pillar. During a Conference October 2017 the approximately 10 speakers were '... all in all moderately positive about the legislative program'.

Fraud pillar
The fraud pillar included three topics that led to three separate laws.
On 1 July 2016, the Directors Disqualification Act and the Criminal Fraud Reform Act entered into force. Furthermore, on July 1, 2017 the Act on strengthening position of insolvency practitioner came into effect.
The purpose of the Directors Disqualification Act is to impose a management ban and / or a 'supervisory ban' of up to five years on directors who are guilty of insolvency fraud or maladministration in the run-up to insolvency
The Law review on criminalization of insolvency fraud only changes the Code of Criminal Law. The purpose was to improve and strengthen the legal possibilities for criminal action against insolvency fraud.
Law strengthening position IP (curator). For the purpose of combating insolvency and combating the societal damage caused by insolvencies, it has been found necessary to (i) improve the information position of IPs by, in particular, restraining or imposing the duty of information and co-operation, (ii ) to clarify and strengthen the obligation to submit the bookkeeping and administration in bankruptcies, and (iii) by providing a follow-up procedure for cases in which the IP identifies ‘irregularities’ in an insolvency case.
A section Article 68(2) has been added, providing: ‘The IP  (a) checks when managing and administering the liquidation of the insolvent estate whether or not irregularities have caused or also caused the insolvency bankruptcy, have made the liquidation of the insolvent estate more difficult or increased the deficit in the insolvency; b. informs the supervisory judge confidentially; and c. reports, if he or the supervisory judge considers this necessary, these irregularities to the competent authorities.’
This is a new statutory task that must be performed in the public interest and that deviates from the IP’s traditional task of serving the joint interest of the creditors.

Modernization pillar
This is the second pillar. The Act modernization insolvency proceedings has been accepted by the House of Representatives in February (as a ‘hammer-piece’ and is now in the Senate. This law aims to make the bankruptcy procedure more efficient, to make it suitable for modern means of communication, as well as to promote customization within the procedure.
The aim in drafting this law has been to facilitate the settlement of insolvencies by:
(a) better aligning the IP’s set of instruments with the requirements of modern digital time; this also includes improving the accessibility of information,
(b) giving the court more customization options in the settlement of an insolvency,
(c) bringing the insolvency procedure more into line with technical developments and possibilities, and
(d) improving building knowledge in the judiciary, by further specialization (including the appointment of 2 or more supervisory judges) and support in further developments in the implementation of insolvency legislation.
The changes fan out over the entire Bankruptcy Act.
This law also introduces a ‘Standing’ Commission on Insolvency Law. The Insolvency Law Commission operates in the context of the Governmental Advisory Bodies Framework Act. That idea was more than ten years ago in art. 1.1.7 (‘Insolvency Council’) Pre-draft Insolvency law already put forward and the need to install such a commission has been expressed again by me (see Wessels, WPNR 2014/7021).

Reorganization pillar
The idea behind legislative proposals in this pillar is to strengthen the reorganization of companies to prevent insolvencies as much as possible. Entrepreneurs should be encouraged to seek help or seek advice in a timely manner if there is a risk of payment default and ensure that measures are taken to facilitate reorganization, restructuring and restarting outside bankruptcy. In addition, measures would be taken to promote the continuation of the company in an inevitable bankruptcy liquidation and to speed up a restart of viable business units after insolvency.
Originally, this (now) third pillar was comprised of three legislative proposals under the recalibration proposals:
Law on the continuity of companies I. It deals with the introduction in the Bankruptcy Act of the possibility for the court to indicate ‘in silence’ before a possible insolvency who it will appoint as an IP (‘beoogd curator’). The proposal aims to provide a legal basis for what is now called the pre-pack or silent administration; In recent years, although lacking a clear statutory foundation, a pre-pack procedure has been developed in Dutch legal practice. A legislative proposal for the codification of this practice, the Continuity of Companies Act I (WCO I) is under review for enactment by the Senate.
WCO I will allow debtors in financial distress to prepare and attempt a silent restructuring of their businesses through a pre-pack procedure, allowing the debtor – which remains authorised to dispose of its assets – and a court-appointed trustee to jointly investigate and prepare an asset sale to be implemented immediately on the opening of formal insolvency proceedings.
Legislation concerning the formation of a compulsory agreement outside insolvency which will take shape with a proposal for a Continuity of Companies Act II (WCO II), now known as Act on the homologation of privately negotiated agreement.
Both the position of classes of secured and ordinary creditors and the rights of shareholders can be subjected to a composition plan under WCO II – even allowing for:
-    an amendment of the debtor’s articles of association;
-    the exclusions of pre-emptive rights of existing shareholders; and
-    the issuance of new shares to allow for a debt-for-equity swap.
In statu nacendi is the Continuity of Companies Act III with various measures for the continuation of the company in insolvency, including a delivery obligation for suppliers of essential goods and services. This obligation to deliver is elaborated in a proposal for the Continuity of Enterprises Act III.

The Minister for Legal Protection (!) expects to finalise this legislative programme in 2019.

2018-05-doc1 19th IEEI Colloquium 16-18 May 2018 in Athens

From 16-18 May the 19th IEEI-Colloquium will be held in Athens, Greece. The International Exchange of Experiences between Insolvency experts (IEEI) has been a German Initiative from the Bundesstaat of Nord-Rhein Westphalen. Its goal is certainly expressed in the abbreviation IEEI. So far more than 30 colleagues from 16 countries all over the globe have registered. I was invited to speak about the report prof. Stephan Madaus and I delivered last September to the European Law Institute (ELI). We were able to present and discuss parts of our study at the IEEI conference in 2016 in Lisbon and 2017 in Chicago. On IEEI, see http://www.insolvenzrecht.jura.uni-koeln.de/16366.html?&L=1.
My presentation relates to the report ‘Rescue of Business in Insolvency Law’, consisting of 115 recommendations (explained on more than 375 pages) on a variety of themes affected by the rescue of financially distressed businesses. The Report’s ten chapters cover: (1) Actors and procedural design, (2) Financing a rescue, (3) Executory contracts, (4) Ranking of creditor claims; governance role of creditors, (5) Labour, benefit and pension issues, (6) Avoidance transactions in out-of-court workouts and pre-insolvency procedures and possible safe harbours, (7) Sales on a going-concern basis, (8) Rescue plan issues: procedure and structure; distributional issues, (9) Corporate group issues, and (10) Special arrangements for small and medium-sized enterprises (SMEs) including natural persons (but not consumers). The Report also includes a glossary of terms and expressions commonly used in restructuring and insolvency matters. See: Wessels, Bob and Madaus, Stephan, Business Rescue in Insolvency Law - an Instrument of the European Law Institute (September 6, 2017). Available at SSRN: https://ssrn.com/abstract=3032309, or - alternatively - Wessels, Bob and Madaus, Stephan, Business Rescue in Insolvency Law - an Instrument of the European Law Institute (September 2017). Available at http://www.europeanlawinstitute.eu/fileadmin/user_upload/p_eli/Publications/Instrument_INSOLVENCY.pdf. To contact the reporters use for Stephan Madaus the address: stephan.madaus@jura.uni-halle.de, and for me: info@bobwessels.nl. Picture: Bob Wessels, Stephan Madaus and Gert-Jan Boon. See also http://www.bobwessels.nl/blog/2017-09-doc3-eli-business-rescue-report-published/