Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog

2017-02-doc7 Legal services in 10 years from now

Which trends bring legal services to its position in 2027? Can existing legal services providers foresee current trends with a 10 year horizon? The Dutch Ministry of Security and Justice posed a similar question to the Research and Documentation Centre (WODC). The Ministry is developing a long-term strategy with respect to the services of advocates, notaries and bailiffs. WODC has brought together in this report the fragmented information on trends that may occur over the next decade. The study is posted here as it has an interesting English summary. See https://www.wodc.nl/binaries/Cahier%202016-13_Volledige%20tekst_nw_tcm28-235332.pdf. The report itself provides an overview of trends and issues both inside and outside the legal professions. It examined current developments and possible changes in the next decade for lawyers, notaries and bailiffs. The research concentrates on trends and issues that may affect the accessibility and quality of services and the public interests of the services in question. It does not contain any recommendations, but instead provides a starting point for consultation and discussion. Research questions include: (i) what developments may affect the services provided by lawyers, notaries and bailiffs in the next decade?, (ii) what might be the consequences of the key trends for clients when it comes to access to and quality of legal services? (iii) what might be the consequences of the key trends for the legal professions?, and (iv) what might be the consequences of the key trends for the regulation of professions? The lifeblood question, evidently, is outside the report's scope: if a lawyer is already able to see the future, can s/he shape it and emerge on top of it?

2017-02-doc6 Memo02 Examination as to international jurisdiction

Under Article 4 of the new Insolvency Regulation ('EIR 2015') a court should, before opening insolvency proceedings, examine of its own motion (ex officio) whether the debtor's COMI or its establishment is actually located within its jurisdiction. I analysed Article 4 and drafted a six step checklist for such an examination (depth and scope of examination, order to produce additional evidence, role of presumptions). This is the second memo inviting reactions. See the initial invitation to participate in developing the fourth edition of my book on EU insolvency Law on this blog www.bobwessels.nl, go to 2017-01-doc13. The my great pleasure I received 15 expressions of interest from 11 coutries all over the globe. I am looking forward to your reactions, please before 27 February, at info@bobwessels.nl. Memo02

2017-02-doc5 book review EuInsVO 2015

The book of Peter Mankowski, Michael Müller, Jessica Schmidt, EuInsVO 2015. Europäische Insolvenzverordnung 2015. Kommentar, München: Verlag C.H. Beck, 2016, shortly reviewed by me and published in European Company Law Journal, February 2017, see http://www.kluwerlawonline.com/abstract.php?area=Journals&id=EUCL2017006

2017-02-doc4 Psychology of judicial decision process in insolvency

Current Leiden Law School research includes to a study which aims to investigate judgements and decision-making processes applying insolvency law across Europe. For me, a traditional insolvency veteran, this is a new and interesting branch of research in the relationship between the personality of a person and its role in restructuring and insolvency. This could be senior management, e.g. a CEO whilst rescuing a company c.q. avoid insolvency, a turnaround manager or insolvency practitioner taking decisions under timepressure or, indeed a judge. This type of research offers a civilological look at the behavioral effects of legislation on insolvency. Thus, how does law work in real life. Its evident that this type of research can only florish when the insolvency field in which all these person have their roll provides suffivient input. Your participation in the survey regarding the judicial decision making process in insolvency matters would therefore be much appreciated. If it would be more interesting for a colleague, please feel free to forward this message. Below is a link to the survey, of which I am informed that it will take a maximum of 10-15 minutes to complete. The research is conducted by Niek Strohmaier, M.Sc., PhD Candidate, and professor of insolvency law Reinout Vriesendorp. Your participation will be entirely anonymous and the survey is administered in English so that all participants in Europe will get the same survey. For comparative purposes, please use the link to the Dutch survey in case you are indeed Dutch. English survey: https://leidenuniv.eu.qualtrics.com/jfe/form/SV_cDgdCZgnvyM8ZV3. Dutch survey: https://leidenuniv.eu.qualtrics.com/SE/?SID=SV_8l97LIyObfqNKMR. Results will be published via the Leiden Law School websites and this blog.

2017-02-doc3 Policy Brief CPB - wat moet je ermee?

Een ‘Policy Brief’ met ‘vier stappen naar efficiënte insolventiewetgeving’ werd medio januari door het Centraal Planbureau (CPB) gepubliceerd, zie https://www.cpb.nl/publicatie/in-vier-stappen-naar-efficientere-faillissementswetgeving. Op de omslag van het advies van deze belangrijke economische adviseur van regering en parlement staat de kern van het voorstel: verstevig positie management; beperk recht schuldeisers. Er zijn diverse redenen om kritisch naar de gepresenteerde opties ter verbetering van de Faillissementswet te kijken. Het rapport stelt dat op dit moment in Nederland slechts 2,5 % van de bedrijven die hun schulden niet kunnen betalen een doorstart maken, tegenover 10% in de Verenigde Staten. Waar dit laatste percentage vandaan komt is onduidelijk. Literatuurreferenties zijn nogal verouderd. Belangrijker is dat in de VS het oorspronkelijke doel van Chapter 11 (‘rehabilitation’ van een bedrijf) in belangrijke mate is uitgehold. In grote zaken, zoals General Motors en Crysler, vond een snelle verkoop (fire sales ex section 363 US Bankruptcy Code) plaats, die binnen zeven weken zijn beslag kreeg. Zijn deze in ogenschouw genomen? Welk begrip ‘doorstart’ wordt gebruikt? In de Nederlandse praktijk vinden deze vaak vanuit faillissement plaats omdat in dat geval de regels over verplichte overgang van werknemers niet van toepassing zijn. Uit Nederlandse literatuur blijkt dat ‘doorstart’ vaak buiten de publiciteit plaatsvindt, onder regie van de belangrijkste schuldeiser, de bank. In de gepresenteerde gegevens lijkt me dit verschijnsel niet verwerkt, begrijpelijk, omdat er geen publicatieplicht is. Het geeft mijns inziens wel een scheef beeld. De rapporteurs hebben hun eigen kijk op de huidige insolventiewetgeving. Deze zou als primaire functie hebben om ‘eigendomsrechten te definiëren en te beschermen’ als een bedrijf niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Insolventiewetgeving maakt ‘contracten mogelijk waarin eigenaar en financier zich vooraf verbinden aan de arbitrageregels die bij een contractbreuk gehanteerd worden’ en bij surseance neemt de bewindvoerder zeggenschap over (dat geldt voor een curator in faillissement). Zo zijn er meer voorbeelden van economenjargon die ook bij welwillende lezing juridische wartaal opleveren. De optie ‘verstevig positie management’ geeft aan dat veel heil wordt verwacht van de Amerikaanse figuur van de ‘debtor in possession’ (DIP). De idee is dat het management zeggenschap houdt over de onderneming. Voer een DIP-procedure in bij surseance, dat geeft het management een prikkel om eerder surseance aan te vragen. Afgezien van verwarrend taalgebruik (kennelijk is bedoeld DIP in een pre-surseance periode), over de nadelen laat de studie zich niet uit. Wat nu als het zittende management al jaren producten maakt waar amper markt voor is, bijvoorbeeld filmrolletjes, kolenkachels of binnenvaartschepen. Er wordt wel gezegd dat 80% van de faillissementen te wijten zijn aan mismanagement. Zonder enig toezicht is een DIP like a fox guarding the hen house. Schort de rechten van schuldeisers met onderpand bij surseance en faillissement op. Dit helpt een crediteurenrun te voorkomen en bevordert de kans op een succesvolle doorstart. Aldus het CPB beleidsartikel. Over de vraag of dit geen concurrentievervalsing oplevert met bedrijven die prudent hun schulden voldoen geen woord. Ander vragen blijven ook buiten beeld. Wat betekent dit voorstel voor de bereidheid om krediet te verschaffen? Of voor de problematiek van non performing loans (NPLs) op de bankbalans? Wat, als door de beperking van rechten een schuldeiser op zijn beurt zelf in de problemen komt? Wat is überhaupt de rechtvaardiging dat bedrijven moeten worden gered? Gemist wordt een afweging tussen de aantasting van rechten van schuldeisers en de belangen bij het voortbestaan van een onderneming? Efficiëntere faillissementswetgeving wordt gepresenteerd als overlevingskansen benutten ten koste van schuldeisers. Een andere invulling van 'efficiënt' zou zijn dat, uiteindelijk, schuldeisers meer terugkrijgen. Waarom het CPB alleen voor deze invulling van efficiëntie kiest wordt niet beargumenteerd. Kortom, een onbegrijpelijke kijk op de werking de Nederlandse insolventiewetgeving, een zwakke methode van vergelijken en een eenzijdige presentatie van voorstellen – die duidelijk steun bieden aan de plannen van de regering en van de Europese Commissie – zonder de nadelen daarvan te belichten. Zit 'Den Haag' op zo’n rapport te wachten?