Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog 2018

2018-01-doc 2 NIKI's COMI

From newspapers we know that NIKI Luftfahrt is in financial trouble. Attempts from third parties to buy all or a significant amount of assets are ongoing. These include takeoff- and landing slots in places such as Vienna, Munich, Palma de Mallorca and Zurich. There also is (evidently) a legal battle. Where is NIKI located? Or better: which is the cente of main interest (COMI) of NIKI Luftfahrt GmbH nach östereichischem recht (NIKI Air GmbH, establishe according to Austrian company law)? It is under corporate control of Air Berlin PLC & Co. Luftverkehrs KG (Air Berlin), active in Germany. But is its COMI in Germany?
On 4 January 2018 the Charlottenburg District Court upheld its decision of 13 December 2017 in which it had decided that NIKI’s COMI was in Germany. I just note some legal arguments.

Article 4 EIR 2015 determines the examination of international jurisdiction. In my book International Insolvency Law Part II 2017/10622h I suggest courts to be guided by six steps, four of which are:
1 Object: international jurisdiction; The court seised with a request to open (main or secondary) insolvency proceedings needs to ascertain its international jurisdiction without any party asking for an examination of the court’s jurisdiction. The court’s role is discretionary, in that interested parties, such as creditors, may send information to the court, but they cannot interfere in the court’s building up its decision. It should, however, be noted that Article 4 EIR 2015 only requires the examination of ‘international’ jurisdiction, the court should test national procedural laws as to its ‘territorial’ jurisdiction in a way which is provided for under the lex fori, see recital 26;
2 Scope of the examination; Examination is required with regard to its international jurisdiction. In literature it is discussed whether the obligation of the court also is to investigate the factual elements forming the requirement of the debtor having its COMI or its establishment in the relevant jurisdiction ex officio. Some authors deny such an obligation, such as Mankowski, in: Mankowski/Müller/J.Schmidt (2016), Art. 4, nr. 8. My take is, that this is too narrow, see under 3 and 4;
3 Depth of examination; Recital 30 says that a court should assess ‘carefully’, whether the debtor’s COMI in ‘genuinely’ located in the Member State. This presupposes quite some detailed analysis;
4 Additional evidence; In practice, first, the court will take into account the facts presented in the request.  Where ‘… the circumstances of the matter give rise to doubts about the court’s jurisdiction, the court should require the debtor to submit additional evidence to support its assertions and, where the law applicable to the insolvency proceedings so allows, give the debtor’s creditors the opportunity to present their views on the question of jurisdiction’, thus recital 32. In the light of the utmost importance of determining carefully a debtor’s COMI, it is unfortunate that recital 32 has not been included in the actual text of the EIR 2015 itself.
Article 5(1) EIR 2015 indicates which parties may request a judicial review of the decision to open main insolvency proceedings. These are mainly the debtor itself or any creditor.

The Charlottenburg District Courts decides the following. I am keeping it short:
a  Article 5(1) is a European norm, to be autonomously interpreted. National requirements or limitations are not relevant. The same view is held in my Part II, para. 10622nff.   
b  Article 4(1) is limited to ex officio testing of the evidence (the court finds support in Mankowski’s view). The court also finds, on procedural ground, one should not set to heavy requirements to the activity of testing the facts leading to international jurisdiction. I submit, however, that it should also include further investigation, see also point 3 above, without denying that speed in deciding is certainly important.
c  In deciding that COMI was in Germany, the court in its earlier decision has not been overlooking decisive factors, such as:
(i)    From assessing the facts it follows that the debtor was incorporated in accordance with corporate law principles of control and operationally in the Air Berlin Group. Air Berlin as directing manager of NIKI has acted as such in a way ascertainably for third parties,
(ii)    Where a company has a duty to pay taxes or have certain accounting duties fulfilled can not be decisive,
(iii)    Plane tickets which included a certain flightnumber were booked outwardly recognizably via a contract with Air Berlin, and
(iv)    The fact that around 80 % of the cabin staff is Austrian can not be decisive.

The Charlottenburg court upheld its decision and announced that, in appeal, the case must be decided by the Landgericht Berlin. A decision may be awaited on short notice, see https://www.berlin.de/gerichte/presse/pressemitteilungen-der-ordentlichen-gerichtsbarkeit/2018/pressemitteilung.662862.php.

NL boek over internationaal insolventierecht

Het internationale insolventierecht houdt zich bezig met vragen als welke rechter bevoegd is, welk recht van toepassing is, welke bevoegdheden een curator in het buitenland heeft of welke bevoegdheden een buitenlandse curator hier te lande heeft. Die vragen zijn talrijk en complex: hoe een boedel, met vermogensbestanddelen in tal van verschillende landen, te verdelen, of vragen zoals de werking van goederenrechtelijke rechten, verrekening, eigendomsvoorbehoud, of de toepassing van een grensoverschijdende verhaalsbenadeling (actio pauliana). Het Nederlandse internationale insolventierecht heeft daar maar een beperkt aantal antwoorden op. Deze komen voort uit twee regelvelden: de algemene regels die – bij gebreke aan een duidelijke regeling in de Faillissementswet – door de Hoge Raad worden geformuleerd en de EU Insolventieverordening (de Recast die op 26 juni 2017 in werking is getreden). Deze twee velden worden in het hieronder vermelde booek door de auteur, Berends, overzichtelijke en uitvoerig beschreven. Daarnaast besteedt hij aandacht aan de door UNCITRAL ontwikkelde Modelwet, opgesteld bij wijze van aanbeveling aan landen over de gehele wereld om deze niet-bindende model wet in hun eigen nationale regels op te nemen. Dat is inmiddels door ruim veertig landen gedaan, waaronder de Verenigde Staten en Engeland, en meer recent door Chili en Singapore.
Na een korte inleiding duikt de auteur in deze drie onderwerpen.

Bij een analyse van de gevallen die niet onder de Insolventieverordening vallen, is het vooral de Nederlandse rechtspraak die behandeld wordt bij vragen als de werking in Nederland van een insolventieprocedure die is geopend in een derde land: het ‘inkomende verkeer’ (met bijzonder aandacht voor het Yukos II arrest uit 2013), de werking in een derde land van een insolventieprocedure die is geopend in Nederland: het ‘uitgaande verkeer’, en de heel beperkte regeling die de  Faillissementswet kent (artikelen 203-205), alleen betrekking hebbend op de gevolgen van een Nederlands faillissement voor verhaal op in een derde land gelegen goed. Dit onderdeel geeft een goed overzicht van de stand van zaken.

Het boek van Berends is het eerste Nederlandstalige commentaar op de Europese Insolventieverordening (Recast). Boeken in de Engelse taal (het teleurstellende commentaar van Moss et al. en het boek van Bork/Mangano, beide uit 2016, zie http://www.bobwessels.nl/blog/2016-04-doc3-review-of-2-english-book-on-eir-recast/, het uitvoerige commentaar van Bork/Van Zwieten (ed.), ook uit 2016, zie http://www.bobwessels.nl/blog/5079/, en mijn eigen boek uit 2017, zie
http://www.bobwessels.nl/blog/2017-09-doc4-wessels-international-insolvency-law-part-ii-european-insolvency-law/) en in de Duitse taal (het praktijkcommentaar van Braun c.s., zie
http://www.bobwessels.nl/blog/2017-04-doc7-book-announcement-of-brauns-7th-ed/, en het fraaie commentaar van Mankowski/Müller/J.Schmidt, zie http://www.bobwessels.nl/blog/2017-02-doc5-book-review-euinsvo-2015/, beide uit 2016) gingen hieraan vooraf.
In ruim 200 pagina’s wordt door Berends de EU Insolventieverordening uiteengezet. Het is de auteur wel toevertrouwd om dit deugelijk te doen. Hij verdedigt de stelling dat het Hof van Justitie van de EU ‘al dan niet bewust’ geen aandacht geeft aan het Virgós/Schmit rapport. Bijlage A wordt gepubliceerd, maar niet de laatste versie (voor zover ik kan overzien), die in maart 2017 (OJ L 57/19) vijf Poolse procedures vermeld, terwijl een wijziging aanhangig is, zie http://www.bobwessels.nl/blog/2017-09-doc5-on-annex-a-of-the-insolvency-regulation/. Het maakt eens te meer duidelijk welk een lastig systeem de EU heeft gekozen, omdat het opsporen van een nieuwe Annex niet makkelijk is. Eens ben ik het met Berend’s kwalificatie van een ‘enigszins hoekige’ vertaling van ‘insolvency practitioner’ (onze curator of bewindvoerder) in een nieuwe Nederlandse rechtsterm: insolventiefunctioneris. Hij gaat de discussie aan met opvattingen die vrij recent door Nederlandse auteurs (Broeders, Veder, het Asser deel van Kramer/Verhagen) zijn geuit. Terecht kritisch is hij op het onvolkomen Nederlandse wetsvoorstel Uitvoeringswet EU-Insolventieverordening. Dit is inmiddels wet geworden, Stbl. 2017, 497. Verrassend, omdat de EU Insolventieverordeing daarop niet van toeapssing is, zijn ook nog 7 informatieve pagina’s over financiële ondernemingen.

De laatste 60 pagina’s geven een goed inzicht in the UNCITRAL Modelwet. Daarvan is Berends een voorstander, hetgeen opname in het boek verklaart. Hier viel het op dat Berends de Guide to Enactment van UNCITRAL uit 1997, maar niet de Guide to Enactment and Interpretation noemt, die in 2013 voor de oorspronkelijk Guide in de plaats is getreden. Dat heeft de nodige kritiek gekregen. See http://www.bobwessels.nl/blog/2017-11-doc7-some-remarks-on-the-model-law/.

Dit is de tweede druk van het boek. De eerste druk verscheen, ik zag het overigens nergens in het hier kort besproken boek zelf staan, in 1999. Soms zie je daar de sporen van, door het gebruik van oude(re) literatuur, terwijl de auteur nogal selectief is bij de verwerking van nieuwere literatuur, of buitenlandse literatuur. Met een erg beknopte literatuurlijst, een zaaks- en jurisprudentieregister eindigt het boek, dat – daargelaten mijn kanttekeningen – voor de Nederlandse praktijk goed bruikbaar is.  

Mr. Dr. A.J. Berends, Grensoverschrijdende insolventie, Financieel Juridische Reeks 11, 2017, 332 pp., Uitgeverij Paris. ISBN 978 94 6251 141 5

Bestelinformatie: https://www.uitgeverijparis.nl/boeken/boek/314/Grensoverschrijdende-insolventie

Noot: dit boek ontving ik kosteloos van de uitgever met het verzoek om het aan te kondigen of te te bespreken op mijn blog op www.bobwessels.nl.