Search

Follow me

RSS feed

Archive

2019   2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog /  2019-10-doc5 Schuldeiserscommissie - instelling en samenstelling

2019-10-doc5 Schuldeiserscommissie - instelling en samenstelling

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog (http://www.bobwessels.nl/blog/2019-10-doc3-iets-bijdragen-aan-serie-wessels-insolventierecht/) om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht IV, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Gelieve dit te doen voor 15 oktober 2019. Nu het volgende onderwerp:

[...]

[4274] Instelling schuldeiserscommissie. De rechtbank kan, gelet op de omvang of de aard van het faillissement, indien de belangrijkheid of de aard van de boedel daartoe aanleiding geeft, bij het vonnis totvan faillietverklaring of bij een latere beschikking een voorlopige commissie van een oneven aantal leden benoementot drie leden benoemen uit de haar bekende schuldeisers, zie art. 74 lid 1.
[4275] Omvang of aard van het faillissement. Onder omstandigheden kan het ongewenst zijn om te wachten met de instelling van een definitieve schuldeiserscommissie uit de schuldeisers, die pas kan plaatsvinden op de verificatievergadering (zie art. 75 lid 1). De verificatievergadering kan lang op zich laten wachten, en het kan zijn dat de curator reeds bij aanvang van het faillissement belangrijke beslissingen moet nemen, waarbij, gezien de aard van die beslissingen, het advies van de commissie van nut kan zijn. Art. 74 lid 1 spreekt van ‘omvang of aard van het faillissement’, waar de tekst tot 2019 sprak van de ‘belangrijkheid’ of de ‘aard’ van ‘de boedel’ die aanleiding geeft tot het instellen van een commissie. Een van beide (‘omvang’ of ‘aard’) kan dus aanleiding zijn tot het instellen van een voorlopige commissie. Het is derhalve mogelijk bij een  relatief kleine boedel die grote problemen bij de vereffening dreigt op te leveren dan wel in verband met de wijze waarop de boedel dient te worden beheerd een voorlopige commissie te benoemen. Dit viel af te leiden uit het Verslag van de Tweede Kamer en het Regeringsantwoord hierop bij Van der Feltz II (1897), p. 25 e.v. Het ligt impliciet besloten in art. 105 lid 2, dat de commissie een recht op inlichtingen jegens de gehuwde gefailleerde en diens echtgenoot geeft. Deze mogelijkheid blijft bestaan, hoewel de term ‘omvang’ anders lijkt te indiceren. Discretie rechtbank. Art. 74 lid 1 bepaalt dat de rechtbank een voorlopige commissie ‘kan’ benoemen. Hierbij dient de rechtbank een passende discretie te worden gelaten, zij het dat zij haar vonnis of latere beschikking behoorlijk motiveert. Zie HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1338; RI 2014/67; NJ 2014/299; JOR 2014/280, nt. Van Hees (SNS Property Finance e.a./V.), in welk arrest de Raad oordeelt dat de rechtbank niet gehouden is om op elk van de door de verzoekers (twee banken) aangevoerde feiten en omstandigheden afzonderlijk in te gaan. De motivering van de rechtbank berust op een drietal overwegingen. De Hoge Raad geeft aan dat de rechtbank zich ‘… allereerst rekenschap [heeft] gegeven van de aard en “de belangrijkheid” van het faillissement van [verweerder, een natuurlijke persoon; Wess.]. De rechtbank heeft zich daarbij in het bijzonder laten leiden door het ontbreken van complicerende omstandigheden, zoals internationale aspecten met betrekking tot de diverse bankrekeningen van [verweerder], en door de omvang van de reeds aanwezige en de nog in de boedel terug te brengen activa. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen door de curator reeds is bewerkstelligd ten aanzien van het terugbrengen van activa in de boedel en op de samenhang van het onderhavige faillissement met de faillissementen van andere vennootschappen (de Eurocommerce-vennootschappen). In dit verband heeft de rechtbank onder meer gewezen op de mogelijkheid van informeel overleg over internationale verhaalsonderzoeken tussen de Banken, de curator en de Eurocommerce curatoren en op het resultaat dat langs die weg reeds is bereikt. Ten slotte heeft de rechtbank gewicht toegekend aan de bevoegdheden die op grond van de Faillissementswet toekomen aan een (toen zo genoemde) commissie uit de schuldeisers. Daarbij heeft de rechtbank – gezien de omstandigheden van het onderhavige geval – met name gewezen op de mogelijkheid dat het belang van de Banken bij een dergelijke commissie in strijd komt met het belang bij een correcte afwikkeling van het faillissement van [verweerder] in privé, en op het risico dat de Banken oneigenlijk gebruik zouden maken van de bevoegdheden die een commissie uit de schuldeisers heeft. Op grond van een en ander is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er thans geen aanleiding is om op de voet van art. 74 Fw een voorlopige commissie uit de schuldeisers te benoemen.’ Door aldus te oordelen heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 74. Voorts is het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad.
Onder ‘omvangbelangrijkheid’ en ‘aard’ (van het faillissement) moet worden verstaan de omvang van de activa en de passiva van de boedel respectievelijk de gecompliceerdheid daarvan, bijvoorbeeld waar de aard van een failliete onderneming niet voldoende begrepen kan worden zonder specifieke branchekennis, zie Verstijlen, GS Faillissementswet, commentaar bij art. 74. Geen commissie wordt benoemd indien sprake is van een overzichtelijk faillissement (van een sportschool) met één concurrente schuldeiser en enkele boedelschuldeisers, zie Rb. Rotterdam 8 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW8329; RI 2012/90; JOR 2013/146. Voor een andere afwijzing, zie Rb. Utrecht (sector kanton) 19 september 2011, RI 2011/107. Van Galen, TvI 2000, p. 20, meent dat de instelling van een schuldeiserscommissie vooral zin heeft indien een uitkering aan de concurrente crediteuren te verwachten is en er veel concurrente crediteuren zijn. Hij wijst er terecht op dat in bepaalde gevallen met een informele overlegstructuur tussen schuldeisers en curator kan worden volstaan. Gispen (2009), p. 55, bepleit instelling van een commissie door ‘belangrijkheid’ te verstaan als het door verzoeker aannemelijk maken van het feit dat het totale actief volgens de meest recente door het bestuur opgestelde of goedgekeurde balans op grond van de criteria van art. 2:397 lid 1 onder a BW € 17.500.000 of méér bedraagt, tenzij de schuldenaar of de curator aannemelijk maakt dat de boedel op eenvoudige wijze te beheren zal zijn. De wetgever heeft in de Wet modernisering faillissementsprocedure deze suggestie niet gevolgd.
[4275a] Samenstelling commissie: aantal leden. De rechtbank beslist over de samenstelling van de voorlopige commissie. Onder het tot 2019 geldende recht was er plaats voor één tot drie schuldeisers. Sedert 1 januari 2019 geldt: een oneven aantal leden. De term ‘oneven’ beoogt een staking van stemmen te voorkomen. Ook een rechtspersoon kan in de commissie worden benoemd, aldus Rb. Breda 5 september 1986, NJ 1989/503. Deze zal zich dan doen vertegenwoordigen. Gemachtigden van schuldeisers kunnen niet benoemd worden, zie Regeringsantwoord bij Van der Feltz II (1897), p. 27. Ook een schuldeiser wiens vordering betwist wordt, kan in de (definitieve) commissie worden benoemd. In deze zin ook Van Galen, TvI 2000, p. 23.
Oneven aantal. In de MvT, Kamerstukken II 2016/17 34 740, nr. 3, p. 8, is aangegeven dat een omvang van drie leden voor de schuldeiserscommissie de ruimte beperkt ‘… voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de schuldeisers’. Ook de tekst van de wet rept over ‘vertegenwoordiging’ in art. 74 lid 1, slotzin: ‘De commissie bestaat uit een oneven aantal leden en vertegenwoordigt belangrijke groepen van schuldeisers’. De term ‘vertegenwoordiging’ vind ik ongelukkig gekozen. Bedoeld zal zijn ‘en behartigt de belangen van belangrijke groepen van schuldeisers’.
In de MvT, t.a.p., wordt het standpunt ingenomen dat het de betrokkenheid van schuldeisers ten goede komt wanneer meer dan drie personen lid kunnen worden van de schuldeiserscommissie, ‘… mits ze een goede vertegenwoordiging vormt van de gehele groep schuldeisers’. De Toelichting vervolgt dat ook een niet-schuldeiser als lid van de commissie kan worden benoemd, zoals een deskundige of bijzondere belangenbehartiger, bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van werknemers ‘…  zodat het belang van de werknemers goed kan worden betrokken bij het beheer en de vereffening van de faillissementsboedel door de curator. Dit zal met name van belang zijn wanneer het bedrijf een doorstart kan maken of bepaalde bedrijfsonderdelen door andere partijen worden overgenomen. Dit sluit ook aan bij de Wet continuïteit ondernemingen I, waarin betrokkenheid van de werknemers tijdens de zgn. “stille voorfase” mogelijk wordt gemaakt, doordat zij zitting nemen in de (voorlopige) schuldeiserscommissie.’
Belangrijke groepen van schuldeisers. Ten aanzien van de woorden ‘De commissie … vertegenwoordigt belangrijke groepen van schuldeisers’ in de tekst van art. 75 lid 1, derde zin, is door de minister in de MvT, Kamerstukken II 2016/17 34 740, nr. 3, p. 24, aangegeven dat de betekenis van deze woordcombinatie afhangt van ‘… het “soort” schuldeiser (concurrent of preferent), de achtergrond van de schuldeiser (consument, werknemer, handelscrediteur of bankcrediteur) of de soort schuld (voortvloeiend uit lening, onrechtmatige daad, verzekering) en de overige omstandigheden van het geval, zoals de te verwachten wijze van afwikkeling van het faillissement’. Ook kunnen volgens de aangehaalde MvT, t.a.p., overwegingen van meer praktische aard een rol spelen: ‘Wanneer de omvang van een faillissement beperkt is, doch de schuldeisers zeer divers van aard zijn, ligt het voor de hand dat tot een benoeming van een kleine schuldeiserscommissie van enkele personen wordt overgegaan, om een en ander werkbaar te houden en de kosten te beperken. Ook kan de bereidheid van schuldeisers om deel te nemen aan de schuldeiserscommissie een rol spelen’. Beslissing rechtbank of rechter-commissaris. De rechtbank of de rechter-commissaris dient te beslissen en daarbij heeft hij een ruime beoordelingsvrijheid, aldus terecht de MvT, t.a.p., die ook meldt dat het denkbaar is dat groepen schuldeiser niet in de schuldeiserscommissie ‘vertegenwoordigd’ zullen zijn.

[...]