Search

Follow me

RSS feed

Archive

2019   2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog /  2019-03-doc6 Kan de splitsing van een rechtspersoon met de pauliana vernietigd worden?

2019-03-doc6 Kan de splitsing van een rechtspersoon met de pauliana vernietigd worden?

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog (http://www.bobwessels.nl/blog/2019-02-doc7-bijdragen-aan-mijn-serie-insolventierecht/) om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht III, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Gelieve dit te doen voor 23 maart 2019. Dit is de vierde uitnodiging. Nu het volgende onderwerp:

[...]

3299a Vernietigingsregeling bij splitsing. Een juridische fusie of splitsing kan worden vernietigd, zie art. 2:323 BW respectievelijk art. 2:334u BW. De vraag kan opkomen of deze vernietigingsregeling uit Boek 2 BW exclusief is dan wel of bijvoorbeeld een splitsing kan worden vernietigd met een beroep op de pauliana op voet van art. 42. De heersende zienswijze in lagere rechtspraak en literatuur is die van exclusiviteit. Een fusie of splitsing kan niet met de pauliana vernietigd worden.  

3299b Actio pauliana mogelijk? Over art. 2:334u BW, zie Van der Horst, V&O 2011, p. 21 e.v. Hof Arnhem 25 september 2012, LJN BX8863; JOR 2012/343; RI 2013/3; RO 2013/2, komt (na analyse van de Europeesrechtelijke herkomst en de Nederlandse wetshistorie) tot het oordeel dat art. 2:334u BW exclusief regelt op welke gronden een splitsing van een rechtspersoon kan worden vernietigd: ‘Daar behoort de (faillissements)pauliana niet toe. Het door curatoren gedane beroep op vernietiging van de splitsing (enkel gegrond op artikel 42 Fw) heeft derhalve geen rechtskracht, zodat van de rechtsgeldigheid van de onderhavige splitsingen moet worden uitgegaan. Dat brengt met zich dat de grondslag aan het door curatoren in conventie gevoerde verweer en aan hun in reconventie ingestelde vordering is komen te ontvallen. Het hof komt derhalve niet toe aan de vraag of aan de vereisten van artikel 42 Fw is voldaan.’ Het hof bekrachtigt het vonnis van Rb. Zutphen 29 december 2010, LJN BP0052; RI 2011/68; JOR 2010/302, nt. Nagtegaal. Met een vergelijkbare argumentatie eerder reeds Hof ’s-Hertogenbosch 27 maart 2012, LJN BW0391; JOR 2012/301, nt. Nagtegaal (bekrachtigend Rb. Maastricht 18 augustus 2010, LJN BY7936). Instemmend: Schoonbrood en Van der Hoek, WPNR 6904 (2011); Koster, Ondernemingsrecht 2013/11.

3299c. Rechtspraak. In par. 3405c behandelde ik een verrekeningskwestie bij het de faillissementen van twee vennootschappen uit de Favini-groep, Favini Meerssen en Favini Apeldoorn. Zes maanden later handelt het om de vraag of een juridische splitsing in de zin van art. 2:334a e.v. BW kan worden vernietigd op grond van art. 42. De curatoren van Favini Meerssen en Favini Apeldoorn hebben op grond van art. 42 de vernietiging ingeroepen van in 2005 binnen het Favini-concern tot stand gebracht splitsingen van rechtspersonen. Bij die splitsingen was een nieuwe vennootschap (Favini RE) opgericht. In deze vennootschap was onder meer het bedrijfspand van Favini Meerssen en het bedrijfspand van Favini Apeldoorn ingebracht. Na de splitsingen werden de bedrijfspanden door Favini RE aan Favini Meerssen en Favini Apeldoorn verhuurd. De curatoren menen (in reconventie) dat op deze wijze de gezamenlijke schuldeisers in de faillissementen thans geen verhaal meer hebben op de desbetreffende onroerende zaken, terwijl zij dat zonder de splitsingen wel zouden hebben gehad. De zaak komt bij de Hoge Raad, zie HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2122; RI 2014/20; JOR 2014/66, nt. Van Eck; JIN 2013/35, nt. Krieckaert; NJ 2014/222, nt. Van Schilfgaarde; Schoonbrood en Van der Hoek, in: Ondernemingsrecht 2014/52; Koster, in: Ondernemingsrecht 2014/129, p. 656 e.v.; TvI 2015/9, nt. Huizink.
Deze reconventionele vordering van de curatoren wordt afgewezen. Het hof had geoordeeld dat het uitgangspunt is dat art. 2:334u BW een lex specialis inhoudt die het instellen van een actio pauliana uitsluit. De Hoge Raad stemt met deze beslissing in en oordeelt dat wanneer zou worden aangenomen dat een splitsing door de curator ook op de voet van art. 42 kan worden vernietigd, de specifieke norm van art. 2:334u BW onaanvaardbaar zou worden doorkruist. De Hoge Raad geeft aan dat weliswaar de strekking van beide normen (bescherming van schuldeisers tegen rechtshandelingen waardoor schuldeisers worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden) dezelfde is, maar dat de wijze waarop de bescherming plaatsvindt, de voorwaarden die in dit verband worden gesteld, het tijdsbestek waarbinnen de vernietiging mogelijk is en de bescherming van derden in dit verband bij de toepassing van art. 2:334u BW telkens anders is geregeld dan in art. 42. Doorslaggevend voor deze benadering acht de Hoge Raad de rechtszekerheid gemoeid met de splitsingsregeling. Omdat door toepassing van art. 42 in gevallen als de onderhavige deze specifieke regels zouden kunnen worden ontgaan, zou afbreuk worden gedaan aan de rechtszekerheid die de regeling voor vernietiging van een splitsing in art. 2:334u BW beoogt te dienen. Wel merkt de Hoge Raad nog op dat de curator die meent dat de boedel als gevolg van een splitsing is benadeeld, onder omstandigheden (mede) een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad kan instellen. Dat laatste lijkt me een open deur. De ‘doorkruisings’-motivering heeft de voorkeur van Kroeze, RM Themis 2014-4, p. 157 e.v., boven de onversneden ‘lex specialis’-benadering van het hof.
A-G Timmerman, in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:921) voorafgaand aan het aangehaalde arrest, wijst erop dat het besluit tot (af)splitsing door de aandeelhoudersvergadering het bestuur verplicht om de rechtshandeling van (af)splitsing bij de notaris te gaan verrichten. Hij stelt dat als er een voor de schuldeisers van de (af)splitsende vennootschap nadelige (af)splitsing heeft plaatsgevonden de curator het aandeelhoudersbesluit tot splitsing met behulp van art. 42 kan vernietigen. Dat heeft – in zijn visie – het gevolg dat de (af)splitsing is gebaseerd op een nietig besluit van de aandeelhoudersvergadering (art. 2: 334u lid 1 onder c BW). Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/482 sluit zich bij deze zienswijze aan. Ik verwerp haar, omdat een besluit van aandeelhouders sec een vennootschapsrechtelijk besluit is, die zich als ‘rechtshandeling’ aan de reikwijdte van art. 42 onttrekt. Over de materie ook Stokkermans, diss. (2017), p. 463 e.v.

[...]