Search

Follow me

RSS feed

Archive

2019   2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog /  2019-02-doc10 Compendium van het Nederlands faillissementsrecht

2019-02-doc10 Compendium van het Nederlands faillissementsrecht

In het najaar van 2018 verscheen ‘Compendium van het Nederlands faillissementsrecht’ van de hand van prof. R.M. Wibier. In 12 kloeke hoofdstukken wordt het onderwerp systematisch en vrij uitvoerig doorgenomen. Ook de surseance van betaling komt aan bod, niet echter de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De titel van het boek is dus niet helder. Bij de term ‘compendium’, denk ik altijd aan een wat vlakke, schetsmatige behandeling (voor de niet zo jongeren: niveau Klapper Stein). Accuraat tot in het detail, met uitvoerige verwijzingen naar wet en rechtspraak en het summier weergeven van dwarsverbonden. Voor een leerboek (dat wil Wibier bieden) is dat het minimale wat nodig is. Het boek beoogt ‘een kapstok’ te bieden opdat de student na bestudering van de belangrijkste faillissementsrechtelijke leerstukken zelf zijn weg in het insolventierecht kan vinden. Die leerstukken zijn: de faillietverklaring, de hoofdrolspelers en hun bevoegdheden, de boedel, fixatie van het vermogen, het vervolgen van aanspraken door en tegen de failliet, overeenkomst en faillissement, afwikkeling van de boedel (in dit hoofdstuk zijn ook ondergebracht de boedelschulden, zekerheidsrechten en de afkoelingsperiode), het akkoord, (bestuursders)aansprakelijkheid, pauliana en verrekening. Het boek is vooral goederenrechtelijk georienteerd (o.m. beschikken over voorwaardelijk eigendom, bancaire betaalverkeer, inclusief varpanding van vorderingen, levering in de context van art. 35 en derdenbescherming, financiëlezekerheidovereenkomst). Bij het leggen van deze accenten laat de auteur van zijn praktijkervaring in de insolventie- en herstructureringspraktijk blijken.
Wibier vindt zelf dat het boek het best uit de verf komt als studieboek, naast de te volgen colleges. Ik vermoed dat ook de collegezaal en inhouse-cusussen aan de wieg van het compendium hebben gestaan, omdat bijvoorbeeld jurisprudentie uitvoerig aan bod komt, met letterlijke aanhaling van kernoverwegingen. Dat is erg nuttig, omdat veel faillissementsrecht rechtersrecht is. In het algemeen blijven literatuurverwijzingen achterwege. Het internationale insolventierecht blijft nagenoeg geheel buiten beschouwing, met uitzondering van enkele pagina’s over in het bijzonder de internationale jurisdictie op basis van de (herijkte) Insolventieverordening en de nagenoeg letterlijke weergave van art. 203-205. Dat is jammer (mijn stokpaard), omdat de Europese insolventieverordening diverse voorbeelden kent van creeping harmonisation, onderwerpen die nu reeds geunificeerd in de lidstaten geregeld zijn. Ik denk aan art. 10(2) (insolventie verkoper en eigendomsvoorbehoud, art. 36 (recht om een toezegging te doen om een secundaire procedure te vermijden) of art. 41-44 (in grensoverschrijdende gevallen zijn ‘insolventiefunctionarissen’ en rechters verplicht te communiceren en samen. Dat is ook keihard ‘Nederlands’ insolventierecht, alleen de herkomst verschilt.
De herijkingsmissie van de wetgever krijgt ook amper aandacht, wel kleine stukjes pre-pack en de komende EU richtlijn inzake herstructurering. Voor een leerboek in de bachelorfase lijkt me dat meer dan voldoende: de kern van het faillissementsrecht is de basis en dat vinden – herinner ik me – beginnende studenten al lastig genoeg. Voor de rechtspraktijk dient het boek als beredeneerd compendium van wetgeving en rechtspraak. Het is een uitvoerige gids voor hen die zich binnen de studie of voor een beroep het faillissementsrecht eigen moeten maken. Iets snel opzoeken lukt goed aan de hand van uitvoerige registers op wetsartikelen, rechtspraak en trefwoorden.
Wibier acht het boek ook geschikt voor de masterfase. Hier heb ik twijfels. In de masterfase is er ruimte voor meer verdieping en verbreding, voor discussie met verschenen literatuur en nadenken over uitgangspunten van het insolventierecht. Wibier laat zich hier niet zo vaak over uit (ik zag op p. 99: ‘Schulden moeten worden betaald. Die morele overtuiging leeft sterk in de huidige maatschappij …’). Dit lijkt me nu echt voor studenten een mooie aanzet voor een discussie over de wenselijkheid en noodzaak van de schuldsaneringsregeling (en de positie van studieschulden, vergelijk art. 299a!), en de vraag ‘... als er een regeling nodig is, welke onderwerpen dienen daarin een plaats te krijgen?'
De huidige behandeling maakt het boek voor de universitaire masterfase minder geschikt; het biedt te weinig – voor de masterstudent – als basis voor het doordenken van uitdagende, soms complexe vraagstukken. De auteur heeft daarvoor, zoals we weten, tijdschriftartikelen als kanaal gekozen. Hoe dit zij, afsluitend: een bruikbaar boek als deugdelijke introductie en een kundig naslagwerk voor praktijkjuristen.
 
R.M. Wibier, Compendium van het Nederlands faillissementsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018. ISBN 9789013147599

Produktinformatie: https://www.wolterskluwer.nl/shop/boek/compendium-van-het-nederlands-faillissementsrecht/NPCOMPFAI/

NB: dit boek heb ik van de uitgever kosteloos ontvangen met het verzoek om het aan te kondigen of te bespeken op mijn blog op www.bobwessels.nl