Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog /  2018-10-doc3 Faillissement en huwelijksgemeenschap

2018-10-doc3 Faillissement en huwelijksgemeenschap

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog (http://www.bobwessels.nl/blog/20-10-doc2-denk-mee-met-5e-druk-wessels-insolventierecht-ii) om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht II, 5e druk, te sturen naar: info@bobwessels.nl. Gelieve dit te doen voor 10 november 218. Nu het volgende onderwerp:

(….)

[2180] Gevolgen ten aanzien van huwelijksgemeenschap. De materie ‘faillissement en huwelijksgemeenschap’ is erkend lastig, voornamelijk doordat faillissement dwingendrechtelijke regels bevat die substantiële invloed hebben op de gerechtigdheid tot goederen respectievelijk de bevoegdheid tot beheer en beschikking daarover, voortvloeiend uit het (wettelijke of gekozen) stelsel van huwelijksvermogensrecht.

De kern van de oorspronkelijke regeling uit de Faillissementswet van 1896 is nog steeds van kracht. Zij is aangepast aan het sedertdien vrij drastisch gewijzigde huwelijksvermogensrecht en in 2018 ontdaan van haar zware bewijsregels (zie par. 2180b). Met ingang van 1 januari 1957 zijn door de inwerkingtreding van de wet van 14 juni 1956, Stb. 381, tot opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw (bekend geworden met de naam van de indiener Minister van Justitie Van Oven: Lex Van Oven) belangrijke wijzigingen in het BW aangebracht, maar de wijzigingen die zij in de Faillissementswet teweegbrachten waren zeer gering, zie bij de art. 21 aanhef en onder 4° en art. 61 leden 1-3 (met ingang van 1 januari 2018 is art. 61, dat zes leden bevatte, teruggebracht tot één artikel 61, met als tekst een licht aangepaste tekst van lid 1, zie par. 2180b hieronder). Ter gelegenheid van de wetswijziging in 1957 is toen ook een voorstel tot herziening van de regeling van de afwikkeling van het faillissement van een huwelijksgemeenschap gedaan, welk voorstel noodzakelijkerwijs ‘betrekkelijk ingewikkeld moet zijn’ (aldus de Minister van Justitie Van Oven), zie de ontwerp-art. 63, 63a en 63b, opgenomen in Kortmann/Faber, Wetswijzigingen (1995), p. 196 e.v. Door in het herzieningsvoorstel te kiezen voor het stelsel dat handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw als logisch uitvloeisel een gelijke rechtspositie van man en vrouw ten aanzien van hun gemeenschappelijke vermogen kent, is het ontwerp echter ingetrokken. Literatuur. Ik noem hier als belangrijkste oudere literatuur: Meijers, WPNR 2912-2913 en 2915 (1925), en Verzamelde Privaatrechtelijke Opstellen I, p. 207 e.v.; Van Oven, NJB 1927, p. 565 e.v., en p. 583 e.v.; Van Oven en Waldorp, Huwelijksvoorwaarden in verband met faillissement, Preadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen 1931, besproken door Petit, WPNR 3209 (1931) en De Bruijn, RMThemis 1932, p. 127 e.v.; Friederichs, WPNR 5432 (1980); Konijn en Ricksen-Van Gerven, WPNR 5640-5641 (1983). Zie daarnaast de handboeken, die ik hierna ook zal aanhalen. Meer recente literatuur: Salomons (2011).

[2180a]     Wetswijziging 2012. Met ingang van 1 januari 2012 (Stb. 2011, 335) is ingevoerd een aanpassing van de wettelijke gemeenschap van goederen, zie Stb. 2011, 205 (uitvloeisel van kamerstukken 28 867). Daarbij zijn art. 61 lid 3 en art. 61 lid 4 gewijzigd. Zie de vorige druk van dit werk, par. 2080a. Met ingang van 1 januari 2018 (zie par. 2180b) zijn deze leden weer vervallen. Voor de geconsolideerde wetsgeschiedenis, zie W.D. Kolkman, F.R. Salomons en L.C.A. Verstappen, Parlementaire geschiedenis moderniseringswetgeving huwelijksvermogensrecht. Derde tranche, Deventer: Kluwer: 2012, p. 460 e.v. Zie Asser/De Boer I* 2010/379l; De Jong van Lier, TvI 2010, 32, p. 202 e.v.; Salomons (2011), p. 142 e.v., en p. 146 e.v.; Lammers, WSNP Periodiek februari 2012, nr. 1, p. 15 e.v. Zie ook Rb. Zwolle 2 november 2012, LJN BV2324, die in november 2011 in zijn beslissing al anticipeert op het met ingang van 1 januari 2012 wet geworden art. 61 lid 4. Hierover kritisch: Wessels, WPNR 6935 (2012), hierin bijgevallen door Luijten en Meijer, WPNR 6960 (2013), die echter menen dat indien ná 1 januari 2012 het hof in hoger beroep over de zaak had moeten beslissen, het hof het dan geldende art. 61 lid 4 zou hebben moeten toepassen. Dat is een vraag van het toepasselijke overgangsrecht, dat bij wetsvoorstel 28 867 hoort, waarbij ik erop wijs dat art. 29 Overgangswet NBW II de regel kent dat de wet (in casu kortweg de nieuwe Boeken 3, 5 en 6 BW) niet van toepassing is op een faillissement dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding (toen 1 januari 1992) is uitgesproken.

[2180b] Wetswijziging 2018. Op 1 januari 2018 is in werking getreden de Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het BW en de Faillissementswet ‘… teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken’ (Stb. 2017, 177). Het wetsvoorstel (Kamerstukken 33 987) werd in juni 2014 is ingediend als Voorstel van wet van de leden van de Tweede Kamer Berndsen-Jansen, Recourt en Van Oosten. Ten aanzien van de Faillissementswet behelsde de kern van het voorstel een wijziging van art. 61 in die zin dat lid 2 zou komen te luiden: ‘2. Het bij huwelijkse voorwaarden of bij voorwaarden van geregistreerd partnerschap buiten de gemeenschap houden van rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, kan slechts worden bewezen zoals bij artikel 130 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van derden is voorgeschreven’, terwijl de leden 3 tot en met 6 zouden komen te vervallen. De indieners beoogden vooral de strikte bewijsregels van art. 61 te schrappen. Vergelijk over het voorstel Lieber, WPNR 7041 (2014); Kolkman, WPNR 7044 (2014); Mellema-Kranenburg, WPNR 7054 (2015); Perrick, WPNR 7069 (2015), waartegen Breederveld e.a., WPNR 7070 (2015), met naschrift Perrick; Hermus, EB. Tijdschrift voor scheidingsrecht 2015/12; Nuytinck, annotatie onder HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, AA 2015, p. 686 e.v.; Noordam en Brinkman, WSNP Periodiek augustus 2016, p. 3 e.v.

Met ingang van 1 januari 2018 nieuw stelsel van huwelijksvermogensrecht. In Boek 1 BW is uiteindelijk, per 1 januari 2018, een nieuw hoofdstelsel van het in ons land geldende huwelijksvermogensrecht opgenomen (kortweg: van ‘algehele’ naar ‘beperkte’ gemeenschap van goederen). Over de uiteindelijke wettelijke regeling in Boek 1 BW van het systeem van beperkte wettelijke gemeenschap, zie Hermus, EB. Tijdschrift voor scheidingsrecht 2016/54 en 2017/3; Mellema-Kranenburg, AA december 2016, p. 937 e.v.; Hoens en Schols, WPNR 7134 (2017); Luijten, EB. Tijdschrift voor scheidingsrecht 2018/23. Voor enkele fiscale gevolgen, zie V-N 2017/25.2, en V-N 2018/46.15. Zie ook Labohm en Kavelaars-Niekoop, WFR 2017/92.

Gedurende de parlementaire behandeling van dit nieuwe stelsel is tevens art. 61 aangepast, in die zin dat de leden 2 tot en met 6 zijn vervallen en de tekst van lid 1 (met wijziging van de term ‘gefailleerde’ in ‘schuldenaar’) thans de gehele tekst van art. 61 vormt. Deze tekst luidt: ‘De echtgenoot of geregistreerde partner van de schuldenaar neemt alle goederen die hem toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap onderscheidenlijk de gemeenschap van het geregistreerd partnerschap vallen, terug.’

Het vernieuwde huwelijksgoederenstelsel heeft tot gevolg dat er naast het vermogen van de huwelijksgemeenschap veel meer privégoederen en privéschulden zullen zijn van een of beide echtgenoten c.q. geregistreerde partners. Voor de faillissementsboedel betekent dit in algemene termen dat de omvang van de boedel hierdoor meer beperkt is dan vóór 2018.

[2180c] Strekking art. 61 en art. 63. Art. 63 bepaalt dat een faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot behandeld wordt als het faillissement van de gemeenschap. De faillissementsboedel omvat daardoor zowel het privévermogen van de echtgenoot/gefailleerde als het vermogen van de gemeenschap, maar niet het privévermogen van de niet gefailleerde echtgenoot. Ten aanzien van deze privégoederen heeft de niet gefailleerde echtgenoot het recht tot terugname van deze goederen indien hij kan aantonen dat deze goederen tot diens privévermogen behoren. Art. 61 in de tekst van vóór 2018 met haar bewijsregels in de leden 2 tot en met 6, maakte het voor de echtgenoot lastig om tegenover de curator aan te tonen dat goederen tot zijn privévermogen behoren. Over deze zware bewijsregels Wessels, NTBR 2000, p. 482 e.v., en de vorige editie van dit werk (2016), in het bijzonder par. 2195 e.v. Met het vervallen van deze leden gelden thans de gewone bewijsregels.

Exit bijzondere bewijsregels. Zie voor de parlementaire geschiedenis Hummelen/Breeman 2018, Deel III-II, p. 1710 e.v. In de Eerste Kamer is aan het slot van de behandeling opgemerkt dat de hoofdregel, dat de echtgenoot terugneemt alle goederen die hem toebehoren en niet in de gemeenschap vallen: ‘Dus alle bewijsregels die het hem lastig maken de goederen terug te nemen schrappen we. Dus je kunt zonder enige restrictie wat privé is terugnemen’, zie Hummelen/Breeman 2018, Deel III-II, p. 1713 e.v. Voor literatuur zie Biemans en Castermans (2017), p. 116 e.v.; Floris, TvCur 2017, p. 24 e.v.; Brinkman, WSNP Periodiek, februari 2018, p. 2 e.v.; Breederveld, TvI 2018/11, met reactie Brinkman, TvI 2018/45, met naschrift Breederveld, TvI 2018/46., die van mening verschillen over de raag hoe het verhaal moet plaatsvinden tussen de gemeenschapsschuldeisers en de privéschuldeisers in het faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot.

Overgangsrecht. Art. 61, zoals dat sedert 1 januari 2018 luidt, is alleen van toepassing op een na die datum uitgesproken faillissement. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór die datum, blijft art. 1:94 BW van toepassing, zoals dat artikel luidde vóór 1 januari 2018. Op een faillissement dat is uitgesproken vóór 1 januari 2018 blijft het recht van toepassing zoals dat gold tot 31 december 2017, vergelijk art. IV Wijzigingswet Boek 1 Burgerlijk Wetboek, enz. (beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen), Stb. 2017, 177.