Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog /  2018-06-doc2 Art. 21 Rv en eigen aangifte

2018-06-doc2 Art. 21 Rv en eigen aangifte

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

[1214a] Toepasselijkheid art. 21 Rv.? De eigen aanvrage van of aangifte tot faillietverklaring is niet alleen als een niet overdraagbaar wilsrecht te beschouwen, zij is ook een eenzijdige ongerichte rechtshandeling. Het betreft een rechtshandeling waaruit jegens derden niet zelfstandig een verbintenis voortvloeit. De bepalingen uit Titel 2 (Rechtshandelingen) van Boek 3 BW zijn op de eigen aangifte van overeenkomstige toepassing, zie art. 3:59 BW. Ten aanzien van de eigen aangifte als processuele rechtshandeling kent het Procesreglement LOVC onder art. 1.2 (‘Faillissement op eigen aangifte’) een lange lijst met voorschriften ter zake van onder meer haar indiening. Deze zijn vooral formeel-technisch van aard: medeondertekening; aantal exemplaren; bijvoeging stukken e.d. Substantieel van aard is art. 1.2.2.6 onder b, te weten de bijvoeging van een overzicht van baten en schulden, een lijst van crediteuren met hun namen en hun vorderingen en een lijst van debiteuren met hun namen en hun vorderingen.

Rb. Midden-Nederland 11 april 2017, ECLI:RBMNE:2017:1879, oordeelt (voor zover mij bekend als eerste rechtbank) dat op grond van art. 21 Rv ‘… partijen, dus ook verzoeker’ verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt die verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De rechtbank mist in deze zaak diverse gegevens, onder meer een bij de aangifte gevoegde schriftelijke verklaring over het ontstaan van de schulden. Hoewel daarnaar gevraagd (vergelijk art. 22 Rv) heeft de aangever ook niet een jegens hem door de curator ingestelde vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid gemeld en evenmin het beslag, dat al voor die vordering was gelegd en de procedure waarin hij ten tijde van de aangifte al was betrokken. Door het verzwijgen van deze betrokkenheid bij het faillissement (van ‘zijn’ BV) en de aansprakelijkstelling, zo oordeelt de rechtbank, heeft verzoeker zijn verplichting uit hoofde van art. 21 Rv geschonden: de schuldenlast en de oorzaak van het ontstaan van zijn schulden is niet volledig aangevoerd; deze schuldenlast is, afgezet tegen de bezittingen van verzoeker, een feit dat medebepalend is voor het antwoord op de vraag of verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen; de oorzaak van het ontstaan van de schulden is mede van belang voor de beantwoording van de vraag welke curator de rechtbank moet benoemen: ‘Uit de onvolledige aanvoering van de schulden maakt de rechtbank de gevolgtrekking dat ook aan de volledigheid van de door schuldenaar opgegeven lijst van bezittingen moet worden getwijfeld. Dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij (anders dan op eigen initiatief) heeft opgehouden te betalen, is dan ook niet summierlijk gebleken. De aangifte zal worden afgewezen’.

De vraag rijst of art. 21 Rv op de eigen aangifte van toepassing is. De bepaling speelt sinds 2002 een principiële rol in een tussen partijen gevoerde procedure. Over haar precieze inhoud wordt in de literatuur echter gedebatteerd, als ook over de vraag of zij een algemene verplichting behelst om voldoende gegevens te verschaffen voor de beoordeling van het geschil tussen partijen, omdat het publieke karakter en het belang van de rechtspleging vergen dat de partijen gezamenlijk bijdragen aan een zo goed mogelijke inrichting van het civiele proces, zie, met verwerking van veel vindplaatsen, Asser Procesrecht/Giessen 1 2015/91 en 2015/516 e.v. De zogenoemde waarheidsplicht ex art. 21 Rv is volgens de Hoge Raad ook van toepassing op verzoekschriftprocedures, omdat deze verplichting geldt ‘… voor alle in het wetboek van burgerlijk rechtsvordering geregelde procedures’, zie (met betrekking tot een alimentatiegeschil) HR 25 maart 2011, NJ 2012/627, nt. Snijders.

Ik twijfel echter of art. 21 Rv op de eigen aangifte van toepassing is. Nu (i) de indiening van de eigen aangifte in art. 4 van de wet is geregeld, (ii) zij niet gericht is op de beslechting van een tussen partijen bestaand geschil, (iii) de voor de summiere beoordeling gewenste gegevens in het hierboven aangehaalde Procesreglement LOVC zijn aangegeven (daaronder is niet opgesomd de oorzaak van het ontstaan van de schulden noch de noodzaak om deze informatie ter beschikking te hebben voor beantwoording van de vraag welke curator te benoemen) en (iv) de aard en de vereiste snelheid van de procedure (de ‘… zeer summieren rechtsgang en … eene spoedige afdoening en eindbeslissing ook bij de hogere colleges …’, zie MvT, Van der Feltz I (1896), p. 282 e.v.) gewaarborgd moet zijn, lijkt me art. 21 Rv niet van toepassing c.q is in het bestaande insolventieprocesrecht daaraan een eigen invulling gegeven.

+++++++++++