Search

Follow me

RSS feed

Archive

2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog /  2018-06-doc1 Woningcooperatie en zorginstelling in faillissement

2018-06-doc1 Woningcooperatie en zorginstelling in faillissement

Zie mijn uitnodiging opgenomen in dit blog onder 2018-05-doc3 om reacties/commentaar op mijn conceptteksten voor Wessels Insolventierecht I, 5e druk te sturen naar: info@bobwessels.nl. Nu het volgende onderwerp:

 [1086]    Rechtssubjecten uitgesloten van faillissement. Er zijn uitzonderingen op de regel dat iedere schuldenaar kan worden failliet verklaard. De faillissementscurator in zijn hoedanigheid kan niet failliet worden verklaard. Voor een belangrijke categorie schuldenaren (financiële instellingen als banken en verzekeringsmaatschappijen) geldt een afzonderlijk regime, zie par. 1515 e.v.


[1087]    Zorginstellingen. Voor ziekenhuizen gold tot 2005 een bijzonder regime. Art. 18a e.v. Wet Ziekenhuisvoorzieningen (oud) kende de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de bevoegdheid toe een ziekenhuisvoorziening te sluiten respectievelijk te saneren. De Commissie Sanering voerde het bij deze Wet behorende Besluit financiering sanering ziekenhuisvoorzieningen (Stb. 1981, 386, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 1997, Stb. 702) uit. Bij collisie met de bevoegdheden van een faillissementscurator prevaleren de bevoegdheden van de eerste, aldus Afd. Bestuursrechtspraak RvSt. 31 augustus 1995, TvG 1996/68. Vergelijk ook Vriesendorp, TvI 2005, p. 137 e.v. Thans heeft sanering betrekking op een ‘zorginstelling’, vergelijk Hoofdstuk V (‘Sanering’) in de Wet toelating zorginstellingen, Stb. 2005, 571, en wordt zij uitgevoerd door het College sanering (art. 1 lid 1 onder c van genoemde wet). Sedertdien is de regelgeving aan kritiek onderhevig, mede naar aanleiding van de financiële perikelen omtrent het Slotervaart ziekenhuis (Klaassen, Ondernemingsrecht 2015/14) en het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis (vergelijk Kampers en Lintel, TvI 2017/18) en ziekenhuis De Sionsberg. Over aspecten van het faillissement van een zorginstelling, zie Meersma, Hekman en Rijken, in: Onderneming en Financiering 2017 (25) 1, p. 69 e.v. Het onderwerp heeft de aandacht van het ministerie, zie de evaluatie van de faillissementen van de genoemde twee ziekenhuizen: brief d.d. 8 maart 2016 van de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, kenmerk 917538-147190-MC. Het ministerie heeft in juli 2017 een 20 pagina tellende ‘Handreiking curatoren faillissementen in de zorg’ gepubliceerd, zie www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/07/06/handreiking-faillissementen-in-de-zorg-voor-curatoren. Gezien het enorme belang gemoeid met de continuïteit in zorg (patiënten belang; financieel belang overheid; werkgelegenheid van vele duizenden) ben ik voorstander van een insolventiestelsel dat meer is toegesneden op de specifieke problematiek bij zorginstellingen en meer pasklare oplossingen aanreikt voor vroegtijdig ingrijpen, zie www.bobwessels.nl/blog/2017-07-doc7-naar-een-stille-curatele-voor-zorginstellingen-in-financiele-problemen/

[1087a] Volkshuisvesting-instellingen; woningcoöperaties. Volgens art. 61h lid 1 Woningwet kan een toegelaten instelling (woningcoöperatie) of een dochtermaatschappij indien deze ‘… het belang van de volkshuisvesting ernstige schade berokkent, redelijkerwijs in die situatie geen verbetering te voorzien is en een andere daartegen gerichte maatregel dan het onder bewind stellen van die toegelaten instelling of dochtermaatschappij niet doeltreffender zou zijn’ door de rechtbank in het arrondissement waarin zij haar woonplaats heeft onder bewind worden gesteld op een daartoe strekkend verzoek van de verantwoordelijke minister. De rechtbank behandelt het verzoek binnen twee weken nadat hij het heeft ontvangen (art. 61h lid 2 Woningwet). Art. 61h lid 3 bepaalt: ‘Een toegelaten instelling of een dochtermaatschappij die surseance van betaling heeft aangevraagd, aan welke surseance van betaling is verleend, van welke het faillissement is aangevraagd of die failliet is verklaard wordt niet onder bewind gesteld in de zin van dit artikel’. De bepaling is vrij onduidelijk (bijvoorbeeld: als een faillissementsaanvraag reeds voldoende is lijkt het alternatief ‘die failliet is verklaard’ overbodig; wat indien de aanvraag wordt afgewezen?; of moet er sprake zijn van faillietverklaring?) Een overeenkomstige regeling in art. 70e Woningwet (oud) liet onduidelijk of een reeds ingesteld bewind wijkt als bedoelde instelling failleert. Art. 61i lid 1 Woningwet neemt deze onduidelijkheid weg. Het bewind eindigt (i) twee jaar na de uitspraak van de rechtbank waarbij de toegelaten instelling of de dochtermaatschappij onder bewind is gesteld dan wel (ii) met onmiddellijke ingang na het onherroepelijk worden van een benoeming van een of meer bewindvoerders in een aan die toegelaten instelling of dochtermaatschappij verleende surseance van betaling of van een of meer curatoren in haar faillissement. De Minister voor Wonen en Rijksdienst geeft in een brief van oktober 2015 aan de Tweede Kamer enkele opvattingen weer die zijns inziens bij het faillissement van een woningcoöperatie aan de orde zijn, zie Kamerstukken II, vergaderjaar 2015/16, nr. 400. Genoemde minister was een minister zonder portefeuille. De post is onder het kabinet Rutte III verdwenen. Het terrein valt thans onder Binnenlandse Zaken.